Veertien redenen om te geven

somalia-food-poverty-579856-01-07-20110531-082537

Het Rode Kruis waarschuwt voor een humanitaire ramp in Oost-Afrika. Elf miljoen mensen in Somalië, Ethiopië en Kenia dreigen te overlijden aan honger door extreme droogte. Normaal valt er veel regen tijdens het korte regenseizoen tussen oktober en december, maar afgelopen jaar is er amper iets gevallen. Door de droogte zijn de gewassen dor en is er te weinig drinken en voedsel voor het vee. Zelfs kamelen die gewend zijn aan droogte, hebben het moeilijk, zegt de hulporganisatie. Sinds 2011 is de situatie niet zo slecht geweest: “Alleen al in Somalië overleden toen een kwart miljoen mensen. We kunnen nu wat doen om een ramp zoals toen te voorkomen, maar alleen als we direct actie ondernemen.”

Zes jaar geleden opende NRC Handelsblad met de kop ‘Veertien redenen om niet te geven’ om een discussie te openen over de noodhulp aan de Hoorn van Afrika. Als één van de argumenten om niet de geven werd toen genoemd: “Voedselhulp is net zo verslavend als heroïne.” Meer dan de helft van de Nederlanders zou destijds niet van plan zijn geweest te doneren vanwege twijfels over de besteding van het opgehaalde geld.

Er zijn minstens veertien redenen om wél geld te geven voor de noodhulp aan de Hoorn van Afrika. En één reden om dat niet te doen. Aan jou de keus.

  1. In de Hoorn van Afrika heerst de ergste droogte sinds 60 jaar. Er worden 10 miljoen mensen bedreigd door hongersnood. Velen zijn voor de honger op de vlucht geslagen en volledig afhankelijk van noodhulp. Zonder hulp sterven dagelijks honderden mensen.
  2. Meer dan 2,5 miljoen kinderen zijn ondervoed. Aanvullende hulp voor kinderen is noodzakelijk om permanente schade aan hersenen en lichaam te voorkomen.
  3. Het bieden van noodhulp is een internationale humanitaire plicht. Noodhulp wordt alleen verstrekt in een levensbedreigende situatie. De Wereld Gezondheidsorganisatie spreekt van een noodsituatie als 15% van de bevolking ondervoed is. In Somalië ligt dit percentage veel hoger (20-30%) en in de kampen in Kenia zelfs op 45%.
  4. Ook buiten de kampen worden noodhulpmaatregelen getroffen zoals: met tankwagens water naar dorpen brengen en het verkleinen van de getroffen kuddes door vee op te kopen, te laten slachten en het vlees te verdelen.
  5. De Hulporganisaties werken al geruime tijd in Kenia en Somalië. Zij werken met eigen teams ter plaatse en met een vertrouwde lokale partnerorganisaties.
  6. Hulporganisaties bezitten een kwaliteitskeurmerk voor non-profit hulporganisaties. Het geeft aan dat de Hulporganisatie verantwoording aflegt en de kwaliteit van zijn humanitaire operaties verzekert.
  7. De samenwerkende Hulporganisaties leggen in het openbaar rekenschap af van de besteding van gelden. Zoals bij de hulp aan Haïti kan achteraf worden vastgesteld waar de hulp terecht is gekomen. Op fraude wordt streng toegezien.
  8. De samenwerkende Hulporganisaties hebben controles ingeregeld, zoals veldbezoeken, rapportages en accountantscontroles, om misbruik van hulpgelden en goederen te voorkomen.
  9. De overheadkosten van de Samenwerkende Hulporganisaties mogen niet hoger zijn dan 7%. De giften verdwijnen dus niet in de bureaucratie van de Hulporganisaties.
  10. Humanitaire hulp is slechts een klein onderdeel van de ondersteuning die Hulporganisaties bieden. Noodhulp mag niet worden verward met ontwikkelingssamenwerking die zich richt op een structurele aanpak van de oorzaak van problemen op lange termijn.
  11. Een persoonlijke gift aan een Hulporganisatie voor een schrijnende situatie in de wereld zorgt voor meer persoonlijke betrokkenheid dan hulp vanuit de overheid of de kerk.
  12. Het geld dat overblijft na de noodhulpverlening wordt door de Samenwerkende Hulporganisaties besteed aan een eerstvolgende ramp.
  13. Door ruimhartig te schenken versterkt Nederland haar reputatie van een solidaire humanitaire partner in de wereld.
  14. Het fiscale beleid van de overheid moedigt schenkingen aan goede doelen aan. Met een notariële akte geldt dit voordeel zowel voor de schenker als voor de Hulporganisatie.

Niet geven
Ontwikkelingshulp maakt onderontwikkelde landen afhankelijk en belemmert hen om zélf hun ontwikkeling vorm te geven. 

Nieuwe impuls aan e-Overheid

c0selrquaaayg7x

In de tachtiger jaren deed het kwaliteitsdenken haar intrede. Als management consultant draaide ik mee in kwaliteitsprojecten binnen de overheid. Centraal stond de dienst die werd geleverd, de afnemer daarvan en de verwachtingen van de klant. In mijn eerste interview werd ik meteen terecht gewezen: “de overheid heeft geen klanten, de overheid heeft burgers. En die burger heeft rechten en plichten.” De toon was gezet, de overheid had een duidelijk beeld van haar verhouding met de burger.

Hoe anders is dit bij een commercieel bedrijf. Een bedrijf ontleent haar bestaansrecht aan haar omgeving. Deze bestaat uit klanten en uit stakeholders. Die laatste groep ziet toe op een verantwoord gedrag van het bedrijf. Een bedrijf heeft alleen bestaansrecht als het zich bezig houdt met zaken die de omgeving aantoonbaar waardeert. Het bewijs daarvoor is afname van producten en diensten door klanten. Een tevreden klant is belangrijk voor een bedrijf. Het bedrijfsresultaat en de continuïteit zijn afhankelijk van tevreden klanten die ook weer bereid zijn terug te komen. Klanttevredenheid leidt niet alleen tot klantenbinding maar ook tot positieve aanbevelingen en toename van het aantal klanten.

In de jaren negentig zette de overheid dienstverlening aan burgers en bedrijven op de agenda. In 1996 ging het programma Overheidsloket 2000 van start. Dit programma moest voorzien in een landelijk netwerk van loketten waar burgers en bedrijven terecht kunnen voor publieke dienstverlening met maximaal één doorverwijzing. De diensten moesten zonder menselijke tussenkomst 24 uur per dag beschikbaar zijn. In 1998 bracht minister Roger van Boxtel vervolgens het Actieplan Elektronische Overheid uit. Hierin staan voorstellen over goede elektronische toegankelijkheid van de overheid, betere publieke dienstverlening en verbeterde interne bedrijfsvoering bij de overheid. Vanaf die tijd wordt hard gewerkt aan de e-Overheid.

Twintig jaar na de start Overheidsloket 2000 wordt nog steeds gewerkt aan een betere dienstverlenende overheid. De overheid heeft daarbij nu last van remmende voorsprong. De meeste voorzieningen werden gebouwd vanuit het perspectief van de overheidsorganisatie zelf. Daardoor viel de afname van de diensten aanvankelijk tegen. Die afnemers – burgers en bedrijven – worden ook geconfronteerd met een verkokerd aanbod. Iedere overheidsorganisatie  heeft een eigen persoonlijk ‘mijnportaal’. Tenslotte werden veel voorzieningen met behulp van externe inhuur specifiek voor de overheid als maatwerk ontwikkeld. Zo werden bijvoorbeeld een zoekmachine, een berichtenbox, inlogmiddelen en overheidsloketten gebouwd. Deze maatwerkontwikkelingen zijn allang ingehaald door technologische- en marktontwikkelingen. De overheid kampt nu met een versnipperde, verouderde, onveilige en geldverslindende digitale infrastructuur.

Om een nieuwe impuls te geven aan de e-Overheid kunnen overheid en ICT-industrie de handen ineen slaan. De overheid kan zich daarbij primair richten op Open Standaarden en Open en toegankelijke Data. Hierdoor wordt de ICT-industrie gestimuleerd om innovatieve diensten en producten te ontwikkelen en daarvoor gebruikers te verleiden en te binden. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen worden daardoor vraaggericht aan elkaar gekoppeld. ICT-bedrijven zijn inmiddels het stadium van uurtje-factuurtje ontgroeit en kunnen in de huidige netwerksamenleving partner worden van maatschappelijke oplossingen.

Negen miljard besparen door vernieuwing overheid

tweedekamer

Kan de overheid 20% beter presteren tegen 20% lagere kosten? Ja dat kan, constateerde de initiatiefgroep 20×20 met deskundigen uit overheid, wetenschap, bedrijfsleven en verschillende politieke partijen in aanloop van de verkiezingen in 2012. Miljarden liggen voor het oprapen als de overheid oude patronen durft te doorbreken en zichzelf drastisch vernieuwt. Door slimmer te werken en actief gebruik te maken van informatietechnologie kan de overheid inspelen op de ontwikkeling naar een zichzelf organiserende samenleving.

Naar een digitale samenleving
Een moderne overheid is 24 uur per dag online vanuit een integraal burgerperspectief. Dubbele overheidsregistraties, –administraties en -portalen worden uitgebannen. Zoals in Estland heeft iedere burger een ID-kaart met een chip die gekoppeld kan worden aan computer en smartphone. De kaart is naast persoonsbewijs ook een digitale handtekening, een ov-kaart, een verzekeringspas en identificatie voor internetbankieren en internetstemmen. Burgers kunnen via hun ID-kaart via internet inzien welke data over hen wordt opgeslagen, zoals hun elektronisch patiëntendossier, en wie hun gegevens heeft geraadpleegd. Op die manier kan de burger beter worden geholpen, bespaart de overheid aanzienlijk en kan fraude beter worden bestreden. De overheid moet dan wel de keuze maken om volledig digitaal te gaan. De gebruikelijke compromisoplossing waarbij overheidsorganisaties de vrijheid hebben  zich al dan niet aan te sluiten op de digitale infrastructuur zal nooit de gewenste kwaliteitsverbetering en besparing opleveren. Ook de burger zal de elektronische dienstverlening moeten accepteren. Minder digitaal vaardige mensen moeten zich laten bijspijkeren en hulp zoeken in hun sociale omgeving. Zo compromisloos is de overheidsdienstverlening ook in Denemarken geregeld.

Twintig vernieuwingsvoorstellen
Op de vooravond van de verkiezingen presenteerden de initiatiefnemers twintig vernieuwingsvoorstellen die een bijdrage kunnen leveren aan een moderne overheid. Voormalig Tweede Kamerlid en wethouder Rob Oudkerk bepleitte een professionalisering van de facilitaire inkoop in de zorg. Op landelijke schaal zou daardoor 1 miljard kunnen worden bespaard. Peter de Baat, wethouder in Alkmaar, bepleitte de omvorming van gemeenten tot netwerkorganisaties voor gemeentelijke uitvoeringstaken. Maurice de Hond riep op tot een radicale vernieuwing van het onderwijs. Dit zou een besparing kunnen opleveren van 2 miljard en eveneens kunnen bijdragen aan versterking van de Nederlandse concurrentiepositie. Vanuit het bedrijfsleven werden voorstellen gedaan om door inzet van slimme technologie gelijktijdig kosten te besparen en CO2 uitstoot te verminderen.

Negen miljard bezuinigen zonder lastenverzwaring en verschraling
Realisatie van de voorstellen had 9 miljard aan besparingen op kunnen leveren zonder lastenverzwaring en verschraling. Daarvoor was daadkracht en samenwerking op landelijk en lokaal niveau noodzakelijk. Wethouders van Den Haag, Rotterdam en Enschede zegden hun steun toe. Tweede Kamerleden gaven aan de voorstellen te zullen inbrengen in de formatiebesprekingen. Helaas heeft geen van de voorstellen het VVD/PvdA regeerakkoord ‘bruggen slaan’ in 2012 gehaald. Het kabinet Rutte II bezuinigde 16 miljard euro resulterend in lastenverzwaring en verschraling.

Wilhelm Theodor Boissevain: de dominee van de NSB

wthb

Eind jaren 20 van de vorige eeuw werd Wilhelm Theodor Boissevain (1880-1945) gezien als een talentvol coming man in de kerk. Jaren later werd hij door Rost van Tonningen ‘de meest intelectuele NSB-er’ genoemd, een partij-ideoloog. Het leven van W.Th. Boissevain is te beschouwen als een muziekstuk met de titel: Tussen avondrood en zonsondergang. Aan de ene kant het fin-de-siècle gevoel en aan de andere kant de ondergangsstemming van de beide wereldoorlogen. Zijn levensgang in deze periode is opmerkelijk: van talentvol, jonge theoloog naar ideoloog van de NSB. In deze laatste rol heeft W.Th. Boissevain een belangrijk bijdrage geleverd aan het winnen van het protestants-christelijk volksdeel voor de NSB. Wat waren de idealen van deze opmerkelijke man? Wat waren zijn drijfveren om lid te worden van de NSB? En hoe is hij met de keuzes die hij maakte, te plaatsen in zijn tijd? Henk Tijssen geeft de antwoorden in de biografie die hij schreef over W.Th. Boissevain.

W.Th. Boissevan kwam in 1880 ter wereld in een gezin, dat de (in hun geval: Waalse) hervormde kerk trouw zou blijven in de woelige negentiende eeuw. Dat was geen vanzelfsprekendheid, want Hendrik de Cock en volgelingen knaagden in 1834 aan de fudamenten van de volkskerk en Abraham Kuyper zette vanaf de jaren zestig van die eeuw zelfs de bijl aan de wortel en leidde in 1886 een aantal klagenden uit de zijns inziens slappe, niet stringent confessionele Nederlandse Hervormde Kerk.

W.Th. Boissevain, die in Groningen theologie studeerde, voelde groeiende sympathie voor Hoedemakers gedachte dat kerk en staat onlosmakelijk met elkaar verbonden waren: de staat had te luisteren naar Gods geboden en kon onmogelijk neutraal zijn, zoals Thorbecke in 1848 bij wet had besloten. Dat Abraham Kuyper de publieke ruimte nu vulde door achtereenvolgens in de kerk en in de politiek zijn eigen partijtje te blazen en zo verdeeldheid zaaide, was de jonge W.Th. Boissevain een doorn in het oog. De publieke ruimte (de politiek) liet hij aanvankelijk voor wat die was. W.Th. Boissevain concentreerde zich in de eerste decennia van zijn werkzame leven op de kerk.

Voor W.Th. Boissevain was de onderlinge verdeeldheid van de hervormde kerk al even onaanvaardbaar als die voor Hoedemaker was geweest. Met dit verschil, dat het streven naar eenheid binnen de kerk in een door het modernisme gestempelde cultuur in het Interbellum volstrekt tevergeefs was. De kloof tussen modernen (zelfs rechts modernen) en orthodoxen was inmiddels eenvoudig te groot.

Met aandoenlijk idealisme (Tijssen beklemtoont terecht dat W.Th. Boissevain zijn leven lang een idealist was) schreef W.Th. Boissevain zijn vingers blauw om de versplinterde hervormde kerk tot een eenheid samen te ballen. Zijn De kansen der kerk (1930) was een wanhopige poging zijn kerk de weg te wijzen. Toen dat in geschrifte niet lukte, week hij uit naar een katholiek model: een bisschop zou de zo gewenste eenheid moeten smeden. Het bewees dat W.Th. Boissevain, bij gebrek aan intellectuele weerklank, zijn heil steeds meer zocht in een sterke man.

W.Th. Boissevain stond in de jaren dertig niet alleen met zijn hang naar eenheid. In de hervormde kerk, maar ook in katholieke kring, was een sterke drang naar volkseenheid. Het naoorlogse verlangen naar ‘doorbraak’ van de verzuilde samenleving was in het Interbellum al te bespeuren bij theologen als Willem Banning en Jo Eijkman. Tijssen is zo gefixeerd op W.Th. Boissevain dat hij die bredere lijn niet kan of wil trekken. Maar daar staat tegenover dat hij de (gevolgen van de) keuze voor de NSB tot op het bot uitbeent en de tragiek van dit mislukte leven tot in detail beschrijft.

Midden jaren dertig verruilde de moegestreden W.Th. Boissevain kerk en staat: door lid te worden van de Nationaal-Socialistische Beweging hoopte hij vanaf nu de onderlinge verdeeldheid van het Nederlandse volk te overwinnen, waaruit de eenheid in de kerk dan weer zou voortvloeien. IJdele hoop. W.Th. Boissevain liep namelijk vast in het moeras van het antijudaisme. Dat ligt bij christelijke theologen (of zij nu rooms-katholiek, gereformeerd of hervormd zijn) uit de aard der zaak natuurlijk voortdurend op de loer. Het Jodendom heeft wel het religieuze eerstgeboorterecht, maar dat is door het christendom eeuwenlang betwist. W.Th. Boissevain maakte zich tot tolk van dit antijudaisme, na aanvankelijk nog betoogd te hebben dat Joodse en christelijke uitlegging der Schrift zou moeten worden ‘geharmoniseerd.

Maar al gauw begon nationaal-socialistische denkbeelden zijn theologie te vergiftigen. Het Jodendom was voor W.Th. Boissevain eind jaren dertig niet alleen meer een godsdienst, het was nu ook een ras: ‘In het Joodsche volk zijn geest en mythe, ras, bloed en historie tot een veeleenheid gevormd.’

„Grens tussen wereldvreemdheid en blindheid voor tijdgeest lijkt soms flinterdun”

W.Th. Boissevain repte, schrijft Tijssen, met geen woord over moord op de Joden. Hij wenste hen een eigen staat toe en meende zo in de lijn van Hitler te redeneren. Dat was al een ernstige vergissing, maar zeker zo ernstig was dat W.Th. Boissevain nu overtuigd was van een ‘Joodsch probleem’ dat hij nu, geheel in nationaal-socialistische geest, alom tegenwoordig achtte. In de slangekuil die de NSB was, laveerde de dominee kunstig door tussen draufganger Meinoud Rost van Tonningen en ambtenaar Anton Mussert. Rost prees W.Th. Boissevains ‘arisch christendom’ uitbundig aan bij zijn Duitse vrienden. Je zou denken dat het W.Th. Boissevains reputatie bij Mussert schaadde. Maar zie: die benoemde hem in 1944 tot persoonlijk adviseur.

Het was een troostprijs die tot niets diende. W.Th. Boissevain vluchtte na Dolle Dinsdag (september 1944) naar Duitsland, keerde korte tijd later terug naar Nederland en werkte in 1945 als privésecretaris van de NSB-burgemeester in Marum (Groningen). Zo diep was de man gezonken: eens op de nominatie voor kerkelijk hoogleraar aan een rijksuniversiteit, nu privésecretaris van een dorpsburgemeester. Het kon nog erger: op 23 maart 1945 viel W.Th. Boissevain van de trap in het gemeentehuis. Het was een dood in stijl: even sneu als zijn mislukte leven.

Wim Berkelaar, voor Protestant.nl
6 januari 2010

Henk Tijssen is historicus en docent geschiedenis. In 2008 studeerde hij af in Groningen met een scriptie over W.Th. Boissevain.

Samenleving vraagt om samenwerking

trifilm-society-collaborations

De overheid zet zich in om burgers en bedrijven te beschermen tegen overtollige administratieve lasten als gevolg van complexiteit van regelgeving. Volgens het kabinet is de doelstelling om de regeldruk voor burgers, bedrijven en professionals met 2,5 miljard euro te verlagen gehaald.  Voortschrijdende juridisering van de samenleving en toenemende regelgeving vanuit Brussel leiden echter steeds weer tot nieuwe regels. De overheid moet daarnaast rekening houden met een complexer wordende samenleving. Onze samenleving vraagt om een aanpak op maat.

De bescherming van jeugdigen bijvoorbeeld kan niet meer worden afgedaan met handhaving en straffen alleen. Jeugdbeschermers moeten een individuele aanpak hanteren waarin de jeugdige en het gezin centraal staan. Daarin moet jeugdzorg samenwerken met o.a. politie, onderwijsinstelling en huisarts. Deze vorm van maatwerk brengt complexiteit met zich mee ten aanzien van diversiteit van regelgeving en de informatiepositie van de jeugdzorg. Erik Gerritsen, Secretaris Generaal van het ministerie van VWS, zegt daarover: “Het is inconsistent dat jeugdbeschermers die namens de overheid gerechtigd zijn om diepgaand in te grijpen niet tegelijkertijd beschikken over alle bij diezelfde overheid beschikbare informatie die nodig is om hun werk goed te doen.”

De overheid moet de complexiteit het hoofd te bieden en op geïntegreerde wijze maatwerk kunnen leveren. Daarvoor is het noodzakelijk dat de overheid een geïntegreerde beleidswaardeketen hanteert. Daarvoor zijn de volgende veranderingen van belang:

Silo’s afbreken

Een geïntegreerde beleidswaardeketen begint met het afbreken van de organisatorische en culturele silo’s binnen de overheid. Deze zijn nu nog strikt gescheiden en verantwoordelijk voor beleidsvorming, -uitvoering en -handhaving. Het delen van dezelfde informatie over strategie, beleid, wetgeving, bedrijfsregels en kennis staat aan de basis een integratie. Deze integratie, die met behoud van autonomie kan worden doorgevoerd, verhoogt het aanpassingsvermogen en versnelt invoering van wetten en regelgeving.

Processen van regels scheiden

Processen zijn stabiel en generiek. Regels veranderen in hoog tempo en zijn specifiek. De verwevenheid van processen en regels in administratieve systemen maakt het beheer kostbaar en tijdrovend. Door scheiding van processen en regels kunnen administratieve systemen generieke ondersteuning bieden. De stappen voor het verlenen van een vergunning zijn bijvoorbeeld altijd dezelfde: ontvang de aanvraag, verzamel de benodigde informatie, onderzoek het dossier, neem een beslissing en voer die uit. Het verschil zit in de toepassing van bedrijfsregels voor elk afzonderlijk dossier, zoals voor een horecavergunning of een parkeervergunning. Het scheiden van processen en regels verhoogt het adaptief vermogen en versnelt de invoering van nieuwe regels.

Gegevens en regels uitwisselen

Om complexe problemen het hoofd te bieden wordt nog veelvuldig gekozen voor schaalvergroting: het samenvoegen van organisaties en het ontwikkelen van geïntegreerde systemen. Deze aanpak is risicovol gebleken en heeft veelal niet geleid tot beoogde kostenbesparingen. Door uitwisseling van gegevens en regels kunnen complexe problemen worden aangepakt zonder ingrijpende organisatorische aanpassingen. Door op een slimme wijze gegevens en regels over organisatiegrenzen heen uit te wisselen worden administratieve lasten verminderd.

Verschillen in taalgebruik overbruggen

In de samenwerking binnen de EU en daarbuiten hebben we te maken met diverse talen. Dat geldt ook voor het taalgebruik voor diverse doelgroepen, zoals, burgers, ambtenaren en politici. Die hanteren ieder een eigen taalgebruik. Een burger wil niet worden aangesproken met wetteksten, maar in begrijpelijke taal. De systemen van de toekomst moeten de taalverschillen kunnen overbruggen.

De overheid zal op termijn transformeren naar een adaptieve overheid: een overheid die snel kan inspelen op veranderingen in de samenleving. Het huidige kabinet beloofde ons nog verbeterde dienstverlening. Maar de overheid van de toekomst is niet langer een dienstverlener met de burger als klant. De overheid zal taken terug moeten leggen bij de samenleving. De moderne samenleving vraagt om samenwerking.

Mensen leren, overheid en bedrijven niet

overheid

Dertig jaar automatiseringsbeleid van de Nederlandse overheid: wat waren de ambities en wat is daarvan terecht gekomen? Rob Meijer dook in geschiedenis en putte daarbij uit zijn rijke ervaring als onder meer hoofd van de afdeling voor Informatiebeleid van de VNG en als  eerste CIO van de Rijksoverheid. Ook vroeg hij betrokkenen uit de politiek, overheid en bedrijfsleven te reflecteren op de ontwikkelingen binnen de overheid. Zij gaven tot slot antwoord op zijn vraag of de overheid heeft geleerd op het terrein van IT.

Meijer’s persoonlijke terugblik op dertig jaar overheidsautomatisering is te lezen in zijn lezenswaardige boek ‘Terug in de toekomst’. Wij gaan terug naar het jaar 1988. Toen verscheen BIOS-1, de eerste grote nota over het automatiseringsbeleid van de overheid. De nota moest verbeteringen initiëren voor de grote problemen met complexe IT-projecten van de overheid uit die tijd. Destijds werden daarbij de volgende  knelpunten onderkend: ontbreken van voldoende kennis, onduidelijkheden over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden, onvoldoende beheersing van complexe informatiesystemen, onduidelijkheid over de wijze van doorberekening van kosten, ontbreken van een adequaat beveiligingsbeleid en ontbreken van informatiebepalingen in wet- en regelgeving. Vandaag de dag kampt de overheid nog met exact dezelfde problemen.

Een aantal mensen die afgelopen decennia hun stempel heeft gedrukt op het automatiseringsbeleid van de overheid blikt in het boek terug op de ontwikkelingen. Zo memoreert Jacob Kohnstamm zijn toespraak in 2014 voor het 100e partijcongres van D66 over hoe een partijcongres er over 50 jaar uit zou kunnen zien: “Ik had toen weinig tijd om dat goed voor te bereiden en greep terug op een oude toespraak die ik ooit als partijvoorzitter in 1983 had gehouden. Ik las die gewoon voor, inclusief de uitspraak dat er snel een integratie zou komen van computers, tv en telefonie. Congressen zouden nauwelijks meer nodig zijn. Besluitvorming zou – zo meldde ik toen – allemaal van huis uit te regelen zijn. Dit was voor die tijd nog ongehoord.”

Als vertegenwoordiger van het bedrijfsleven geef ik ook mijn visie in Meijer’s boek op basis van mijn ervaring van afgelopen dertig jaar met grote IT-projecten binnen de overheid. Ik herinner nog mijn eerste grote overheidsproject: ‘Verbetering Financieel Beheer’ bij de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Onderwijs in Groningen. Van overheidsfinanciën had ik geen kennis, maar die haalde ik op tijdens het project. Binnen twee jaar was ik een deskundige op het terrein van financieel beheer. Op basis van die kennis werd ik ingezet op projecten bij de ministeries van VROM, Verkeer en Waterstaat en Justitie. Hoewel de ministeries gezamenlijk één financieel systeem hadden kunnen ontwikkelen, ging ieder voor zich. Bij ieder ministerie werd een specifieke kas- verplichtingenadministratie als maatwerk ontwikkeld. Met een beroep op de eigen autonomie werden vervolgens ook voor de ondersteuning van generieke processen voor iedere gemeente, politiekorps, provincie en waterschap eigen (maatwerk)systemen gebouwd.

Ondanks alles heeft de digitalisering een grote vlucht genomen binnen de Nederlandse overheid. De meeste projecten werden succesvol afgesloten en ook de onderlinge samenwerking kwam op gang. Maar dat haalde zelden het nieuws. Alle aandacht van de media ging uit naar de veel te ambitieuze projecten die uit de bocht vlogen en veel te laat werden bijgestuurd. Een parlementaire commissie onder leiding van Ton Elias onderzocht tien projecten die tien jaar daarvoor fout waren gelopen. De commissie trok daaruit de conclusie dat de overheid jaarlijks één tot vijf miljard euro verspilt met IT-projecten. Dat is zeer onwaarschijnlijk, want de overheid geeft nog geen miljard euro per jaar uit aan IT-projecten. Van de tien miljard die de overheid jaarlijks naar schatting aan IT uitgeeft gaat minstens driekwart op aan het in stand houden van de systemen. Het zijn de transactiesystemen, die veelal als maatwerk in de jaren tachtig en negentig zijn ontwikkeld, die een steeds groter risico vormen. De legacy is een erfenis voortkomend uit het maakbaarheidsideaal van de vorige eeuw. De beheerkosten van de legacy-systemen rijzen inmiddels de pan uit. Vijf jaar geleden pleitte ik in het fd voor een ‘deltaplan voor IT van de overheid‘. Overheid en bedrijfsleven zouden daarvoor de handen ineen moeten slaan. Hopelijk moet er niet eerst weer een ramp gebeuren voordat er gecoördineerde actie wordt ondernomen.

Wat leert de overheid op het terrein van IT? Meijer citeert voormalig topambtenaar Koos van der Steenhoven: “Nog steeds worden dezelfde fouten gemaakt. Zo is het PGB-drama weer een voorbeeld dat je een organisatie als de SVB, die gewend is aan bulkverwerking zoals de AOW en kinderbijslag, nu opeens inzet voor maatwerkregelingen, wat de PGB nu eenmaal is.” Per saldo hebben de politiek, de overheid en het bedrijfsleven weinig geleerd van dertig jaar automatiseringsbeleid van de Nederlandse overheid. Het zijn de mensen die individueel en collectief leren. Hoe groter het verloop (zoals in de Tweede Kamer) des te geringer het lerend vermogen.

Kiezers zijn de verliezers

tom-pof

Hillary Clinton wijt haar verlies van de presidentsverkiezingen aan een gerichte aanval van Vladimir Poetin. De Russische president zou hackers hebben aangestuurd die e-mailaccounts van de Democratische partijtop en van campagnechef John Podesta hebben gehackt en gelekt uit persoonlijke wrok die Poetin jegens Clinton koesterde. Het is de klassieke reflex om de oorzaak van een nederlaag buiten zichzelf te zoeken. De informatieroof heeft ongetwijfeld de verkiezingen beïnvloed, maar de oorzaken kunnen beter dichter bij huis worden gezocht.

In het huidige digitale tijdperk moeten politici zich realiseren dat zij kwetsbaar zijn voor aanvallen van cybercriminelen. Zij kunnen zich wapenen door een goede beveiliging. Zowel de preventieve als de curatieve beveiliging is de meeste politieke partijen ver onder de maat. Als je als politicus mail verstuurt vanaf een privé server of vanaf een eigen gmail account, dan ben je een prooi voor hackers. De campagnechef gebruikte zijn gmail en trapte in de val van een eenvoudige phishing-mail. Russische hackers waren geruime tijd geïnfiltreerd in het netwerk van de Democratische partij, voordat daadwerkelijk actie werd ondernomen. De beveiliging werd overgelaten aan een inhuurkracht. De inbraak drong veel te laat door tot de partijtop.

Hackers speelden de informatie door naar WikiLeaks, die de publicatie tijdens de verkiezingscampagne uitsmeerde na de Democratische conventie. De kandidaten gebruikten de inbraak voor eigen politiek gewin en veiligheidsdiensten straalden verdeeldheid uit over oorzaak en motief van de computerinbraak. Hoewel de mails weinig nieuwswaarde bevatte dook de Amerikaanse pers er bovenop. De gelekte mails werden door de media onnodig belangrijk gemaakt en gekleurd geduid. Het publiek werd daarbovenop nog eens geconfronteerd met een grote stroom nepberichten via de sociale media.

DONALD TRUMP

“If Russia, or some other entity, was hacking, why did the White House wait so long to act? Why did they only complain after Hillary lost?”

— PolitiFact National on Thursday, December 15th, 2016

Wie treft de meeste blaam voor beïnvloeding van de verkiezingen? De democratische partij die haar beveiliging niet op orde had, de hackers die informatie hebben buitgemaakt, WikiLeaks die de documenten heeft gepubliceerd, de pers die de zaak heeft opgeblazen, informatiediensten en kandidaten die rollebollend over straat gingen of het publiek dat zich liet beïnvloeden? De Democratische partij heeft het onheil over zichzelf afgeroepen en de traditionele media zijn toe aan een grondige zelfreflectie. De pers ontketende tijdens de verkiezingscampagne een hype over gestolen berichten die weinig nieuwswaarde bevatten en na de verkiezingen berichtten zij over het huzarenstukje van de schuldigen die het democratisch proces zouden hebben verstoord.

Uiteindelijk zijn de kiezers de grote verliezers. Zij worden overladen met informatie van politici en (sociale) media en weten niet meer wat de waarheid is en wie zij kunnen vertrouwen. Zo blijkt 52 procent van de Republikeinse kiezers te geloven dat Donald Trump in absolute zin de meeste stemmen heeft behaald.  Sociale media moeten worden gedwongen hun berichten te filteren op onjuiste feiten. Uitspraken in debatten zouden gelijktijdig gecheckt kunnen worden op juistheid. Tenslotte zouden politici vrijwillig hun mailverkeer vrij kunnen geven. Hackers hoeven er dan geen jacht meer op te maken en de interesse bij de media zal wegebben.