Orwells 1984 nabij

Systemen die onze gezichten herkennen, dat was tot voor kort ondenkbaar. Sinds de komst van deep learning algoritmen kunnen computers gezichten soms al beter herkennen dan mensen dat kunnen. Gezichtsherkenningstechnologie biedt allerlei praktische nieuwe toepassingen. We kunnen ons in de toekomst identificeren met ons gezicht en daardoor afscheid nemen van vele irritante wachtwoorden en pincodes. Het roept ook vragen op ten aanzien van onze privacy, omdat wij voortaan overal gevolgd kunnen worden.

De artificiële intelligentie voor gezichtsherkenning is afgelopen jaren steeds verder geperfectioneerd op basis van patroonherkenning van miljarden foto’s die op het web aanwezig zijn. Facebook is de absolute uitblinker in het herkennen van gezichten. Het bedrijf beschikt over een database met 1,4 miljard gescande gezichten, gekoppeld aan hun werkelijke identiteit. Facebook zegt de identiteit van personen op basis van foto’s in 97 procent van de gevallen correct te kunnen voorspellen. Op basis van hun zogenaamde Deepface technologie claimt Facebook zelfs mensen te kunnen herkennen zonder dat hun gezicht op de foto staat.

Artificiële intelligentie is tot veel meer in staat dan het vaststellen van de juiste identiteit. Op basis een foto kan zelfs redelijk nauwkeurig de seksuele geaardheid worden ingeschat. Het aflezen van emoties op basis van gelaatsuitdrukking op een foto behoort al langer tot de mogelijkheden. Op basis van camerabeelden kunnen gedragingen van voorbijgangers tot in het kleinste  detail worden geanalyseerd. Tegen die achtergrond is het opmerkelijk dat Facebook foto’s beschouwt als publiekelijk beschikbare informatie die niet onder de privacy settings valt. Een onderzoek van Radar wees uit dat 61,1% van de ondervraagden gezichtsherkenning van sociale media niet op prijs stelt. Die meerderheid zou de daad bij het woord kunnen voegen door het aanpassen van hun privacy settings of het verwijderen van hun account.

De politie zet met succes gezichtsherkenning in voor het opsporen van verdachten. Informatie van beveiligingscamera’s, mobiele telefoons, pinautomaten en sociale media wordt gekoppeld aan een strafrechtdatabase met gezichten van personen die ooit een strafbaar feit hebben gepleegd. Vorig jaar heeft de politie bijna honderd verdachten geïdentificeerd met nieuwe gezichtsherkenningssoftware. Op termijn wil de politie met real-time gezichtsherkenning gaan werken. Daardoor kan een voortvluchtige terrorist makkelijker worden opgespoord. Real-time gezichtsherkenning opent ook de weg naar de mogelijkheid om mensen die bijvoorbeeld nog een boete hebben uitstaan automatisch te herkennen in de openbare ruimte.

In China is dat al lang geen toekomstmuziek meer. Ruben Terlou laat in de serie ‘door het hart van China’ zien hoe in miljoenenstad Shenzhen gezichtsherkenning wordt toegepast voor signalering van voetgangers die door rood lopen. Als ze door rood lopen dan worden ze geflitst. Worden ze vijf keer geflitst dan wordt hun identiteit opgezocht in de bevolkingsdatabase en komen ze op een zwarte lijst. Als ze een huis of een auto willen kopen krijgen ze geen lening meer. Dat is onderdeel van het plan van president Xi Jinping dat voorziet in een sociaal kredietsysteem voor iedere burger in China. In de plannen van de partij gaat het er niet alleen om of je door rood loopt. Ook het online gedrag telt mee: wat je op internet of in e-mails zegt en wat je leest of kijkt. Je betaalgedrag, waar je bent, wanneer en met wie. Alles wordt geregistreerd en opgeslagen door de staat. Met een slechte score kom je op een zwarte lijst en dan kun je het helemaal vergeten in China. Ruben Terlou ontlokt een Chinees politicus de uitspraak dat Orwells 1984 nabij is.

Ontsnapt aan Castro

Begin jaren zestig stuurden duizenden Cubaanse ouders hun kinderen naar de Verenigde Staten, omdat ze Fidel Castro niet vertrouwden. Ze kregen in het geheim hulp van het Nederlandse ambassadeurs-echtpaar Gideon en Maria Boissevain.

Door: Twan van den Brand

Cubaanse kinderen op straat in 1962. Veel van hun leeftijdgenootjes vertrekken naar de Verenigde Staten.

Als Gideon Walrave Boissevain op 16 augustus 1963 op Schiphol arriveert, botst hij op nijvere verslaggevers. Ze vragen hem het hemd van het lijf. Boissevain is zes jaar ambassadeur geweest in Cuba. Hij heeft met de komst van Fidel Castro revolutionaire veranderingen meegemaakt en bizarre twisten in de Koude Oorlog beleefd. Neem alleen al de crisis rond de Russische raketten op het eiland in 1962, toen er even een atoomoorlog dreigde. De jongens van het vrije woord zijn dus benieuwd naar zijn verhaal.

Voor de 65-jarige Boissevain was Havana zijn laatste standplaats. Hij gaat met pensioen. In zijn koffer zit een voorraad sigaren. Niet dat hij ze zelf rookt; ze zijn het enige souvenir dat hij mee heeft willen nemen uit het land dat hij eens zag als de parel van de Cariben. Daarnaast torst hij natuurlijk zijn herinneringen. Die deelt de ervaren diplomaat niet met de vragende verslaggevers. Hij beperkt zich tot een korte verklaring. Sinds Castro de macht heeft gegrepen, is alles in kwaliteit achteruitgegaan, zegt hij. ‘Behalve de suiker.’ Boissevain reageert evenmin op een bericht dat in Le Monde heeft gestaan over een recent bezoek van Castro aan de Nederlandse ambassade. De Franse krant meldt dat de Cubaanse leider toenadering zoekt tot westerse diplomaten.

In zijn vertrouwelijke afscheidsbericht aan minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns heeft Boissevain dat een maand eerder wél aangestipt. In de laatste alinea schrijft hij over Castro: ‘Verschijnt hij op een receptie, zoals de laatste tijd herhaaldelijk bij westerse diplomaten, dan wordt hij terstond omringd […]. Zijn charmante verschijning, zijn aangenaam stemgeluid missen hun uitwerking niet, zijn utopistische plannen voor Cuba worden over zijn gehoor uitgegoten als balsem, geen der aanwezige vrouwen ontkomt aan de betovering van zijn voordracht en men ziet noch ruikt het bloed dat aan zijn welgevormde handen kleeft.’

Gevallen voor Castro’s charmes

Boissevain laat tegenover de verslaggevers ook in het midden waarom zijn vrouw Maria is achtergebleven. Slechts weinigen weten dat ze eerst nog naar Washington wil. Tot die weinigen behoort McGeorge Bundy, de veiligheidsadviseur van president John F. Kennedy. Maria Soloviev, zoals ze met haar meisjesnaam heet, is bijna 25 jaar jonger dan Boissevain. De twee zijn in 1947 getrouwd. Zij heeft Russische wortels en een grootvader met een reputatie: Grigori Raspoetin, de omstreden en uiteindelijk vermoorde adviseur van tsaar Nicolaas II en tsarina Alexandra.

Maria wil naar de Amerikaanse hoofdstad om een verzoek van Fidel Castro over te brengen. ‘Mrs. Boissevain said Castro is desperate for a rapprochement because of the economic chaos in Cuba,’ bericht inlichtingendienst CIA eind augustus aan Bundy. De missie heeft, zo beweert Maria volgens diezelfde rapportage, de goed­keuring van haar man. Zelf ziet Raspoetins kleindochter haar rol als een bijdrage aan de wereldvrede. Ze heeft Castro twee maanden tevoren voor het eerst uitgebreid gesproken. Daarbij is ze danig van hem onder de indruk geraakt. Vervolgens hebben ze elkaar nog enkele keren ontmoet. Maria heeft hem bovendien bij andere westerse diplomaten geïntroduceerd, onder meer op de Franse ambassade. Gideon Walrave Boissevain schreef het in zijn al gememoreerde afscheidsbrief: ‘Geen der aanwezige vrouwen ontkomt aan de betovering.’ De CIA verwoordt het wat suggestiever: ‘She denies that she has been his mistress.

De illegale acties van onze man en vrouw in Havana

Voor Maria Boissevain is het een ommezwaai. De jaren daarvoor heeft ze juist partij gekozen tégen het regime van Castro. En haar man doet mondjesmaat mee, al verzwijgt de ambassadeur dat zorgvuldig in zijn lange reeks berichten aan het ministerie. De Boissevains raken in 1961 betrokken bij de deels clandestiene Operatie Pedro Pan, waarbij uiteindelijk 14.048 Cubaanse kinderen van 6 tot en met 18 jaar door hun ouders op het vliegtuig naar de Verenigde Staten worden gezet om Castro’s communisme te ontvluchten. Die operatie is eind 1960 begonnen, kort voordat Havana en Washington hun diplomatieke betrekkingen verbreken en de Amerikaanse ambassade op slot gaat. Omdat daarmee noodgedwongen een einde komt aan de uitgifte van visums wordt een ondergronds netwerk opgezet dat de benodigde papieren in Miami ophaalt en op Cuba verspreidt. De exodus van kinderen kan niet verborgen blijven voor het regime, al is het maar omdat uitreispapieren door officiële instanties moeten worden afgestempeld. Castro laat – om door hem nooit opgehelderde redenen – de uittocht zelf ongemoeid. Wel worden verschillende personen uit het illegale circuit opgepakt.

Aan de Calle 2, in Havana’s chique wijk Vedado, gaan de deuren van nummer 411 wijd open voor Operatie Pedro Pan. Hier is niet alleen de Nederlandse ambassade gevestigd, de Boissevains wonen er ook. Op de derde verdieping hebben ze een kamer gereserveerd als opslagplaats voor illegale documenten. En zo nu en dan houdt zich er iemand schuil op zijn of haar vlucht voor Castro’s lange arm. Maria Boissevain heeft een van de leiders van de contrarevolutionairen een sleutel gegeven van de voordeur en de bewuste kamer. Als deze Ramón ‘Mongo’ Grau de gekleurde Murano-haan – echt Venetiaans glaswerk dat op een tafeltje op de overloop staat – in een bepaalde positie achterlaat, weten de heer en vrouw des huizes dat er iets of iemand in de kamer is verborgen. In het laatste geval moeten ze voor eten zorgen.

Mongo Grau is een neef van een van Cuba’s vorige presidenten. Hij is een gezworen vijand van Castro en een goede vriend van de CIA. Grau heeft Maria weten te charteren als koerierster. De ambassadeursvrouw vliegt regelmatig op en neer naar Miami. Ze komt makkelijk door de controles, bezorgt brieven aan ballingenleiders in de Verenigde Staten en neemt op de weg terug visumformulieren mee voor kinderen die met Operatie Pedro Pan uit Cuba vertrekken. Haar echtgenoot wordt op zijn beurt in mei 1962 in Miami gesignaleerd met pakketten voor ballingen.

Bevreesd voor indoctrinatie

Gideon en Maria Boissevain zijn in 1957 gearriveerd in Cuba, waar dan nog de door Amerika gesteunde Fulgencio Batista aan de macht is. Wanneer deze even hardvochtige als impopulaire dictator op 1 januari 1959 vlucht voor de bebaarde guerrillero’s van Castro, echoot eerst de jubel in Cuba’s straten. Vervolgens vechten hoop en onzekerheid om voorrang. Daarna, als beloftes over vrijheden en voorspoed loos blijken, arriveert ook de teleurstelling.

Boissevains ambtsberichten aan Den Haag laten eenzelfde gemoedsverandering zien. Zijn reserves nemen sterk toe als Castro na de mislukte invasie van door de CIA gesteunde ballingen in de Varkensbaai, in april 1961, definitief voor het communisme kiest. Op 21 september van datzelfde jaar bericht de ambassadeur over ‘een decreet nopens een van staatswege verplichte opvoeding’ voor kinderen vanaf drie jaar. Ze worden aan het ouderlijk gezag onttrokken, aldus het stuk, dat ontvreemd lijkt te zijn uit de burelen van de regering en op grote schaal wordt verspreid. Het zorgt voor stevige onrust onder de bevolking. Is het een authentiek document of een contrarevolutionaire stunt? Pas decennia later zal blijken dat het om een door de CIA verspreid verzinsel gaat. Maar het geeft Operatie Pedro Pan wel vaart. Bevreesd voor indoctrinatie, op school en elders, sturen steeds meer ouders hun kinderen naar de Verenigde Staten.

Huiszoeking

De Boissevains dragen op dat moment al maanden bij aan de exodus. Initiatiefnemer in Havana is James Baker, directeur van de Ruston Academy. Personeel van zijn school, waar vooral kinderen van buitenlanders en gegoede Cubanen zitten, assisteert hem. Zo ook lerares Berta Finlay, echtgenote van Francisco ‘Pancho’ Finlay. Hij is de lokale vertegenwoordiger van de KLM en zorgt ervoor dat op de overvolle lijn­vluchten naar Kingston, in Jamaica, plaats wordt gemaakt voor kinderen die over een visum beschikken. Het toestel maakt één keer in de week een tussenlanding in Miami.

De Finlays zijn goede bekenden van de Nederlandse ambassadeur en zijn vrouw. Berta bewaart de uitreispapieren voor Pedro Pan-kinderen thuis, maar twijfelt of dat een veilige locatie is. Het gaat per slot van rekening om een illegale operatie. Ze stapt naar Maria Boissevain, die haar verzekert dat de visums in de ambassade aan de Calle 2 veel veiliger zijn. Daags na de overdracht doen militairen huiszoeking bij de Finlays. Er wordt niets gevonden. De KLM-directeur en zijn vrouw worden niettemin gearresteerd.

‘Geen der aanwezige vrouwen ontkomt aan de betovering van zijn voordracht’

Zoals het de Finlays vergaat, zo vergaat het veel anderen die het systeem willen saboteren. En niet iedereen heeft, zoals zij, het geluk na korte tijd weer vrij te komen. De Boissevains blijven buiten beeld. ‘Fidel denkt dat de ambassade neutraal terrein is,’ zal Maria later tegen Mongo Grau zeggen. Ook vanuit andere buitenlandse posten in Havana worden trouwens subversieve acties gesteund, vooral vanuit de Britse.

Als Maria Boissevain in 1963 met Castro’s verzoek tot toenadering naar de Verenigde Staten reist, is de CIA in verwarring. De vrouw die recht tegenover de Cubaanse leider stond, lijkt plots zijn ambassadrice. De inlichtingendienst zoekt de verklaring voor de metamorfose in ‘een enigszins instabiel karakter’. Volgens een functionaris die met haar spreekt, kan ze niet langer dan twee zinnen een coherente gedachte vasthouden. Tegenover die diskwalificatie staat de opmerking dat ze ‘zo ongeveer de enige persoon in de westerse diplomatieke gemeenschap in Havana schijnt te zijn die Castro’s boodschap kan en wil overbrengen’. Haar missie blijft zonder resultaat. Ze krijgt Kennedy niet te spreken. Wanneer diezelfde president enkele maanden later in Dallas wordt vermoord, verkeert Maria Boissevain weer aan de zijde van haar man. Die wordt na zijn pensionering honorair consul in Frankrijk. Het stel vestigt zich in Marseille. Zij overlijdt daar in 1976, 54 jaar jong. Hij negen jaar later als 88-jarige.

De echtelieden leken op het laatst stevig van mening te verschillen over Fidel Castro. Terwijl de bekeerde Maria hem zag als ‘galante en pure leider van een kruistocht’, beëindigde Gideon Walrave Boissevain zijn afscheidsbrief aan Luns met een groet aan de parel van de Cariben: ‘Vaarwel Cuba, verdient ge beter? In dat geval: verwacht een ander heer!’

Twan van den Brand is journalist.

Voor dit verhaal is onder meer gebruik- gemaakt van dossiers uit het Nationaal Archief in Den Haag (Nederlandse ambassade in Cuba), door de CIA vrijgegeven berichten en van een uitgebreide mailwisseling met Jose Amaro van de Operation Pedro Pan Group, de organisatie waarin betreffende kinderen zich hebben verenigd.

Publicatie in Historisch Nieuwsblad 3 – 2018

Zie hier het complete verhaal zoals het in maart 2018 in het Historisch Nieuwsblad stond

 

Afbeeldingen: HH; Getty Images; Privé Archief Boissevain; Stadsarchief Amsterdam; AKG/Imageselect

 

Een systeem leeft niet

Dankzij geautomatiseerde systemen kan de Belastingdienst efficiënt en rechtmatig belastingen innen. De ICT is ook niet meer weg te denken bij de uitvoering door gemeentes en uitkeringsinstanties. Data staan centraal als de besluiten zijn geautomatiseerd. De mens verdwijnt daardoor naar de achtergrond. Kunnen geautomatiseerde registraties altijd leidend zijn in beslissingen die de overheid neemt?

Dat overheidsregistraties leidend zijn heb ik zelf mogen ervaren bij het aantekenen van bezwaar tegen mijn registratie bij de SVB. Als minderjarige woonde ik bij mijn ouders in Brussel. Na mijn middelbare schooltijd verhuisde ik voor studie naar Delft. Een jaar later verhuisden ook mijn ouders naar Nederland. De SVB gaat nu uit van de verhuisdatum van mijn ouders. Daardoor kan ik worden gekort op mijn AOW. De registratie van mijn buitenlands verblijf wordt niet aangepast op basis van systeemcontrole van de BRP. Dit probleem kan ik mij zelf aanrekenen, want ik  ben de bron van deze onjuiste registratie. Nadat ik op kamers ging wonen, had ik mij natuurlijk direct moeten aanmelden bij de gemeente voor inschrijving in de bevolkingsadministratie. Als achttienjarige had ik moeten weten dat een verlate inschrijving vijftig jaar later consequenties zou kunnen hebben voor de hoogte van mijn AOW-uitkering.

Veel gecompliceerder is het voor iemand die zich graag wil inschrijven bij de gemeente, maar de gemeente kan die inschrijving niet in behandeling nemen. Bijvoorbeeld van een dakloze die zich wil aanmelden als woningzoekende. De woningbouwvereniging stelt hiervoor de eis dat iemand inkomsten heeft. De gemeente verstrekt pas een bijstandsuitkering als de aanvrager staat ingeschreven. Echter, die inschrijving kan de gemeente niet doen omdat de dakloze nog geen woning in de gemeente heeft. De Nationale ombudsman krijgt regelmaat klachten van mensen die zich niet kunnen inschrijven en daarmee worden uitgesloten van zorg, steun of andere voorzieningen.

Mensen kunnen ook in de knel komen door fouten die de overheid maakt, bijvoorbeeld door verkeerde invoer van gegevens of onjuiste koppelingen. Dergelijke fouten kunnen gevolgen hebben voor uitkeringen, toeslagen of boetes. Het rechtzetten van gemaakte fouten is in praktijk een moeizaam proces, waarbij de bewijslast bij de burger lijkt te liggen. Betrokkenen hebben vaak geen weet van de oorzaak van de problemen en kunnen onverwacht slachtoffer worden van foutieve registratie.

Bekendste voorbeeld hiervan is de zaak Dolmatov. Deze Russische activist hing zichzelf begin 2013 op in zijn cel in een detentiecentrum in Rotterdam. Zijn asielaanvraag in Nederland was afgewezen en hij zou naar Rusland worden uitgezet. Dit besluit was gebaseerd op de indicatie ‘uitzetbaar in Nederland’ in het computersysteem. Als status van de vreemdeling was in het systeem automatisch het veld ‘verwijderbaar’ aangevinkt. Dit had niet gemogen, want er liep nog een beroepsprocedure. Door fouten in de registratie en gebrekkige communicatie in de vreemdelingenketen werd Dolmatov ten onrechte in bewaring gezet en kreeg hij niet de juiste rechtsbijstand en zorg. De Inspectie oordeelde hard over de zaak Dolmatov: “Het onzorgvuldig handelen van de Nederlandse overheid is niet alleen toe te schrijven aan het handelen of nalaten van functionarissen, maar ook aan de afhankelijkheid van – en het vertrouwen in – de systemen, procedures en formulieren die die functionarissen bij hun besluiten in die keten ondersteunen.” Als gevolg van deze analyse is er daarna fors gesleuteld aan de systemen en koppelingen binnen de vreemdelingenketen.

Het ligt voor de hand in cruciale gevallen niet langer blind te varen op systemen  en meer aandacht te schenken aan de menselijke kant van de zaak. De Nationale ombudsman stelt terecht dat het perspectief van de burger geborgd moet worden in alles wat de overheid doet. De overheid moet minder vanuit het systeem denken en meer de burger als uitgangspunt nemen. Een mens leeft, een systeem niet.