Zeilen op de wind van gisteren

Dagelijks rond 2 uur ’s middags stuurt de NOS een pushbericht. ‘RIVM: 33 doden door coronavirus, 14 nieuwe ziekenhuisopnames’ was het bericht 20 mei. Later bleek dat onder de doden, die het instituut kon melden, drie mensen ruim een maand daarvoor al overleden. En vier ‘nieuwe’ patiënten waren al begin april in een ziekenhuis opgenomen. Moeten we, nu de maatregelen worden versoepeld, varen op informatie die niet geheel up-to-date is?

Op dit moment is er nog geen betrouwbare registratie van het aantal coronapatiënten en het aantal mensen dat in Nederland aan corona overlijdt. Alleen mensen met een positieve test op Covid-19 worden geteld. De werkelijke aantallen zijn dus hoger, omdat vanwege de schaarse testcapaciteit niet iedereen met corona gerelateerde klachten is getest. Verder is Nederland het enige land ter wereld dat geen inzicht geeft in het aantal genezen coronapatiënten.

Het inzicht in coronabesmettingen zal verbeteren als vanaf juni grootschalig wordt getest. Iedereen met klachten kan zich dan via een landelijk nummer melden voor een test en een afspraak plannen zonder tussenkomst van een arts. Tegelijkertijd wordt een registratiesysteem voor het testen op COVID-19 in gebruik genomen door huisartsen, bedrijfsartsen en GGD’en. Het systeem ondersteunt de planning en uitvoering van de testen en verschaft landelijke en regionale overzichten van het aantal afgenomen testen en resultaten, inclusief trends.

Tegelijkertijd wordt ook een dashboard in gebruik genomen om zicht te houden hoe de virusuitbraak zich in ons land per regio ontwikkelt. Het dashboard moet onder meer betrouwbaar inzicht bieden van de belangrijkste indicatoren waarop wordt gestuurd, zoals IC-opnames, ziekenhuisopnames, testuitslagen, reproductiegetal en aantal besmette personen. Vanaf het begin van de uitbraak in China houdt de John Hopkins University een dashboard van de ontwikkeling van de virusuitbraak bij. Zo hebben we de verspreiding via China naar Italië, Europa, Verenigde Staten en Zuid Amerika van dag tot dag kunnen volgen. Duitsland heeft ook een fraai dashboard met zicht op het aantal besmettingen per regio op kaart, in tabellen en grafieken.

Een dashboard is niet meer dan een visuele weergave van de belangrijkste informatie die nodig is om doelstellingen te behalen, samengevoegd op een enkel scherm, om in één oogopslag het overzicht én het inzicht te hebben. De bruikbaarheid van een dashboard staat en valt bij de kwaliteit van de data. Die moeten betrouwbaar en actueel zijn. Met een versplinterd systeemlandschap en gebrekkige informatie-uitwisseling in de zorgketen is dat een uitdaging. Daarbij komt nog de vertraging van het beschikbaar komen van de informatie. Testuitslagen zijn nu gemiddeld pas 12 dagen na infectie beschikbaar. Door opschaling van het testbeleid moet die tijd worden verkort. Verdere verspreiding kan dan middels traceren en zelfisolatie eerder worden afgeremd.

Het ligt voor de hand de informatievoorziening zo dicht mogelijk bij de bron – waar besmettingen kunnen ontstaan – te organiseren: bij burgers en in locaties zoals woningen, verenigingen, bedrijven, horeca etc. Helaas komt dat niet van de grond. De veelbesproken coronatracker-app is op de lange baan geschoven en er bestaan maar liefst drie verschillende apps waarmee je ziekteverschijnselen kunt rapporteren: COVID Radar van LUMC, Corona Check van OLVG en Infectieradar van het RIVM. Zonder waarborg van identificatie en beveiliging kun je wekelijks niet-gevalideerde medische gegevens versturen. Vervolgens heb je geen flauw benul wat daarmee gebeurt.

Een goede publieke app moet aansluiten op de leefwereld van mensen. Nu er weer meer bewegingsvrijheid komt is het van belang meer contactinformatie te verzamelen. Dat kan eenvoudig door met een qr-code op locatie in te checken op kantoor, sportclub,  kapper of restaurant. Daardoor bouw je zelf aan een digitaal dagboek, dat je in geval van positieve coronatest ter ondersteuning van het contactonderzoek kunt delen met de GGD. In Nieuw Zeeland is recent een dergelijke contactonderzoek-app gelanceerd. Omgekeerd zouden veiligheidsregio’s actuele informatie aan de app ter beschikking kunnen stellen over locaties die gemeden moeten worden vanwege drukte en besmettingsgevaar. Zo krijgt iedere Nederlander zijn eigen persoonlijke dashboard voor het maken van gezonde keuzes in coronatijd.

Digitaal is het nieuwe normaal

Van de ene op de andere dag gingen we vanuit huis werken. Sindsdien zitten we onafgebroken achter een beeldscherm te vergaderen in videoconferenties. Schaamteloos kijken we in huiskamers van collega’s, partners en klanten. Dat levert op zich nog wel leuke gespreksstof over de situatie thuis, maar hedendaagse videoconferenties zijn bovenal een lesje in efficiëntie. Verdwenen zijn de lange autoritten in de file, gesprekken bij het koffieautomaat en vrijdagmiddagborrels. Nu pas zie ik daarvan de waarde, want het waren momenten op de dag van ontspanning en reflectie.

Na een lange dag vol Zoom-vergaderingen verlang ik terug naar de beleving van de wegtrekkende ochtendnevel boven de Vliet. Het beeld van de opgaande zon, de molens langs de waterkant. Het geluid van eendjes en vogels. Het monotone geluid van het draaien van de riem in de dol. Het genot van borrelende belletjes onder de roeiboot. De coach met zijn roeptoeter en de commando’s van de stuurvrouw. Het lijkt allemaal zo lang geleden. Het eelt op mijn handen is allang verdwenen. Als sportverslaafde was ik gewend aan vier boottrainingen en drie spinningstrainingen per week. Na sluiting van de roeivereniging en de sportschool moest ik op zoek naar een thuisalternatief.

Met het mooie weer in de eerste weken van de lockdown lag het voor de hand om lekker buiten te gaan fietsen. In de eerste week maakte ik nog een paar fietstochten. Het viel mij op dat ik niet de enige was die voor dat alternatief had gekozen. De fietspaden in de duinen waren overvol met naast elkaar fietsende mensen. Bij iedere inhaalactie zat er dan niets anders op dan de anderhalfmeterregel te overtreden. Daarna ging op zoek naar een smarttrainer om thuis te fietsen. Na lang zoeken vond ik een winkel die nog een Tacx fietstrainer in voorraad had. Ik plaatste de fietstrainer achter mijn bureau. Mijn werkkamer is nu een multifunctionele ruimte: werk- en fitnessruimte inéén.

Bij de installatie van een fietstrainer in huis komt nog heel wat kijken. Zo moet de computer geschikt worden gemaakt voor ontvangen van sensoren van fietstrainer en hartslagmeter via Bluetooth. Een trainingsmat is noodzakelijk om geluidsoverlast te voorkomen en de vloer te beschermen. Door ontbreken van rijwind is een goede vloerventilator essentieel. Ik kocht een ventilator die automatisch harder gaat blazen naar mate ik sneller fiets. Daarnaast moest ik de nodige voorzieningen treffen om het overtollige zweet op te vangen met zweetmat en handdoeken. Na afloop van de training moet ik mijn doorweekte fietsschoenen drogen in schoenwarmers.

Als mijn werkdag er op zit klap ik mijn laptop dicht, selecteer een fietsprogramma, draai het beeldscherm en stap op mijn fiets. Via het programma van Tacx kun je mooie routes in Europa fietsen en genieten van het landschap dat op video langstrekt. De stijgingspercentages worden automatisch aangepast. Je kunt wielerklassiekers fietsen en beklimmingen. Zo fietste ik op Goede Vrijdag de laatste 90 kilometer van Milaan-San Remo onder het genot van de Matthäus-Passion. Enkele cols op mijn bucket list, waaronder Tim Krabbé’s Mont Aigoual via Le Vigan, Col de la Loze in de Franse Alpen en El Teide in Tenerife, heb ik inmiddels beklommen. Op dit moment doe ik mee aan de Provence Challenge: zeven etappes in zes dagen, waaronder twee beklimmingen van de Mont Ventoux.

Het populairste fietstrainer programma onder wielrenners is Zwift. Je fietst in een virtueel landschap met duizenden anderen. Je kunt zelfs van elkaar profiteren door in de slipstream van een andere renner te fietsen. Als iemand je voorbijrijdt, word je daartoe zelfs aangemoedigd: “close the gap”. Nu de wielerwereld door het coronavirus op zijn gat ligt, grijpen de wielerprofs massaal naar de fietstrainer om binnen te trainen. Je kunt dus zomaar Robert Gesink of Geraint Thomas tegenkomen op Zwift. Vorige week werd de virtuele Amstel Goldrace toertocht georganiseerd op het wielerplatform Bkool. Op de startlijst stonden bekende namen, zoals Tom Dumoulin, Marianne Vos, Johan IJff en Jan Willem Boissevain. Tijdens de beklimming van de Eyserbosweg zag ik iemand met de naam Tom langs flitsen. Zou hij het echt zijn? Ik probeerde nog bij hem in het wiel te springen, maar hij verdween razendsnel uit beeld. Een dag later zag ik een foto van Tom Dumoulin in de krant na voltooiing van zijn toertocht. Hij zit rechtop op zijn fiets, zijn voeten in de beugels van het stuur. Het  beeld van een balende renner die verlangt naar de koers. Ik dacht direct: die foto wil ik ook, als aandenken aan coronatijd waarin onze leefwereld transformeerde in virtueel en digitaal.

Coronaprivacy

Als we massaal bereid zijn om onze locatiegegevens te delen met Google waarom zijn wij dan zo terughoudend datzelfde te doen met onze overheid? Zeker nu deze data in de huidige crisis cruciaal zijn bij het indammen van het coronavirus en het weer op gang krijgen van de economie. Nauwelijks was minister in zijn persconferentie over de Corona-apps uitgesproken of er kwam een stroom van reacties los. Het ging allang niet meer over het effectief traceren van besmettingen, maar over mogelijke aantasting van onze privacy.

Een gelegenheidscoalitie “Veilig tegen Corona” onder leiding van Bits of Freedom en de Waag roept middels een manifest op te voldoen aan eisen privacy en informatieveiligheid. Kamerleden stellen in vervolg daarop kritische vragen aan de minister van VWS. Het manifest stelt dat de apps een tijdelijk karakter moeten hebben en alleen mogen worden ingezet om het virus onder controle te krijgen. Het gebruik van de apps mag op geen enkele wijze worden afgedwongen. De privacy moet volledig worden gewaarborgd: de gegevens mogen niet herleidbaar zijn tot personen en er mag geen centrale opslag zijn van persoonsgegevens. Alle gegevens moeten daarom in beginsel lokaal op de telefoon worden opgeslagen.

Die eisen, die in de marktuitvraag door het ministerie van VWS zijn overgenomen, verwijzen naar een oplossing waarbij telefoons zelf bijhouden bij welke andere telefoons ze in de buurt zijn geweest. Mensen die besmet zijn moeten dat zelf in de app registreren. Daarna krijgen de personen die in de buurt van een geïnfecteerd persoon  zijn geweest een bericht, waarna ze zelf maatregelen kunnen nemen. Deze oplossing lijkt technisch haalbaar nu Apple en Google hebben aangekondigd samen een api te zullen uitbrengen, waar apps voor contactonderzoek op basis van bluetooth gebruik van kunnen maken.

Het is echter maar de vraag of een app op basis van vrijwillig gebruik een succesvolle bijdrage kan leveren aan het traceren van besmette contacten. Het werkt alleen als er voldoende wordt getest en een meerderheid bereid is de app te gebruiken. De gebruikscijfers van een dergelijke app in Singapore stemmen alvast niet hoopvol, want slechts 20 procent van de Singaporezen gebruikt de app. En dan moeten we er nog op vertrouwen dat mensen die positief zijn getest dat ook netjes registreren in de app. Om maar niet te spreken van de onterechte registraties door zogenaamde digitale coronahoesters. Bij beperkt app gebruik kun je een positief getest persoon beter vragen om zijn directe contacten zelf digitaal te melden. Maar je zou de app ook kunnen afdwingen door het gebruik ervan te eisen bij toegang tot bijv. kantoren, winkels en bijeenkomsten. Verder ligt het voor de hand gedetecteerde contacten na positieve test te delen met de GGD als basis van het contactonderzoek.

Als de overheid gebruik zou kunnen maken van de locatiedata van Google dan zou er geen app meer nodig zijn. Google kan tot het intiemste detail met ons meekijken, want ons mobiel gaat in onze broekzak overal mee tot aan de WC toe. Je schrikt als je er achter komt wat Google allemaal van ons weet. Deze video geeft daarvan een mooi inkijkje. Dergelijke surveillancepraktijken accepteren we natuurlijk niet van onze overheid. Toch kan ik mij voorstellen dat je voor een beperkte periode en een urgent doel locatiegegevens deelt. Zo deel ik als burgervrijwilliger mijn locatie via de app HartslagNu, zodat ik kan worden opgeroepen voor een reanimatie in mijn directe omgeving. Ik accepteer zelfs dat de app 18 procent van de batterijcapaciteit verbruikt. Een paar weken terug ontving ik een oproep voor reanimatie. Ik vroeg mij af of ik er goed aan deed naar het slachtoffer te gaan in deze coronatijd. Ik heb immers geen beschermingsmiddelen. Welke risico’s zou de patiënt en ik zelf daarbij lopen? Zou je de mond op mondbeademing dan niet beter achterwege kunnen laten? Gelukkig werd de oproep kort na melding geannuleerd. Ik vroeg het Rode Kruis om advies of ik had moeten gaan en was verbaasd over het antwoord: “Hier is momenteel geen specifiek beleid voor. Het belangrijkste is dat jij, net zoals altijd, als burgerhulpverlener je eigen veiligheid vooropstelt.”

Ik heb inmiddels begrepen dat vijftigplussers niet meer worden opgeroepen voor een reanimatie, omdat zij in de risicogroep zitten. De locatievoorziening van de reanimatie app heb ik daarom uitgeschakeld. Als ik levens zou kunnen redden in deze crisistijd door het delen van mijn locatiegegevens, dan zou ik dat zeker doen. Ik adviseer iedereen daarom serieus te overwegen meer informatie te delen met de overheid om de coronacrisis te helpen bestrijden en voorts deze instructies te volgen voor het uitzetten van locatie volgen door Google.

Meer coronadata

Nu het coronavirus zich wereldwijd rap blijft verspreiden, moeten overheden en organisaties extra alert zijn op gezondheid en veiligheid van burgers, werknemers en klanten. Zij moeten daarbij beslissingen nemen op basis van een te geringe hoeveelheid data, want het door het RIVM gerapporteerde aantal positieve testen, ziekenhuisopnames en overleden patiënten is slechts het topje van de ijsberg. Meer data zou beschikbaar kunnen komen met behulp van publieke apps. Die worden in Nederland alleen nog nauwelijks gebruikt om de verspreiding van de ziekte te monitoren en op individueel niveau maatregelen te nemen.

Een positieve uitzondering is de corona check app die het Amsterdamse OLVG-ziekenhuis heeft laten ontwikkelen. Inwoners van de Amsterdamse regio kunnen in de app een dagboek bijhouden over de belangrijkste symptomen van het coronavirus, zoals keelpijn, neusverkoudheid, kortademigheid, koorts en hoesten. Een medisch team uit het ziekenhuis houdt toezicht en kan op basis van verstrekte data op individueel niveau van advies dienen. Deze aanpak verlicht de druk bij huisartsen en levert bovendien nuttige data en inzicht in het verloop van corona gerelateerde klachten.

In Singapore en China worden tracking apps op grote schaal ingezet om te controleren waar mensen zich bevinden. Zo kunnen mensen controleren of zij in de buurt zijn geweest van iemand die het coronavirus bij zich draagt. Inwoners van de Chinese stad Hangzhou moeten melden of ze recentelijk buiten de stad zijn gereisd en tevens eventuele symptomen doorgeven die kunnen wijzen op een ziekte, zoals koorts of hoesten. Na het invullen van de vragenlijst ontvangen gebruikers een op kleur gebaseerde QR-code op hun mobiele telefoon die hun gezondheidsstatus aangeeft. Mensen met een rode code krijgen de opdracht om 14 dagen in quarantaine te blijven. Gebruikers met een gele code krijgen de instructie om 7 dagen binnen te blijven, terwijl gebruikers met een groene code vrij kunnen reizen.

Een centraal systeem van online surveillance, zoals dat in China wordt toegepast, zou in Nederland ondenkbaar zijn. Ook het gebruik van locatiegegevens, al dan niet geanonimiseerd, ligt in ons land gevoelig. Telecomproviders zouden die data ter beschikking kunnen stellen, maar Google of Facebook kunnen veel meer bieden. Die platforms beschikken over een schat van gebruikersdata waaruit trends, zoals ziekteverspreiding, kunnen worden gesignaleerd. Zolang we niet over die gebruikersdata kunnen beschikken zit er niets anders op dan grootschalig data op te vragen over gezondheidsklachten, bijvoorbeeld door het opschalen van de corona check app.

In de VS ontwikkelde een bedrijf in de gezondheidszorg met meer dan 200.000 werknemers en zorgverleners  een ​​noodhulpapp. Met die app kan de zorgorganisatie de gezondheid, veiligheid en beschikbaarheid van haar personeel volgen en beheren. Het bedrijf heeft zo het volledige overzicht van ziekte(verschijnselen) van het personeel en eventueel van familieleden. Met behulp van de app heeft het bedrijf inzicht in gehele of gedeeltelijke uitval van personeel, waardoor het tijdig maatregelen kan nemen om de gezondheid, veiligheid en tevens de continuïteit te waarborgen. Het belang daarvan neemt toe, want nu al zien we het ziekteverzuim bij vitale beroepen, zoals de zorg, schoonmaak en transport, sterk toenemen.

Het uitwisselen van medische gegevens met de werkgever, zoals dat in de VS is toegestaan, strookt niet met de richtlijnen van onze AVG. De gegevens kunnen natuurlijk wel worden uitgewisseld met bedrijfsartsen. Die beroepsgroep heeft besloten voorlopig zoveel mogelijk advies op afstand te doen. Een app, waarin de status van de belangrijkste symptomen worden doorgegeven, kan ondersteunend dienen voor tijdig advies aan medewerkers en werkgevers. Bovendien levert het een schat aan data die inzicht geven in de ontwikkeling van het ziektebeeld.

Edna St.Vincent Boissevain-Millay: American poet and playwright

Edna St Vincent Boissevain-Millay was born in Rockland, Maine on 22nd February, 1892. Cora St Vincent Millay raised Edna and her three sisters on her own after her husband left the family home. When Edna was twenty her poem, Renascence , was published in The Lyric Year . A wealthy woman named Caroline B. Dow heard Millay reciting her poetry and offered to pay for Millay’s education at Vassar College.

In 1917, the year of her graduation, Millay published her first book, Renascence and Other Poems. After leaving Vassar she moved to Greenwich Village where she befriended writers such as Floyd DellJohn Reed and Max Eastman. The three men were all involved in the left-wing journal, The Masses, and she joined in their campaign against USA involvement in the First World War.

Millay also joined the Provincetown Theatre Group. A shack at the end of the fisherman’s wharf at the seaport of Provincetown was turned into a theatre. Millay was considered a great success as Annabelle in Floyd Dell’s The Angel Intrudes. In 1918 Millay directed and took the lead in her own play, The Princess Marries the Page. Later she directed her morality play, Two Slatterns and the King at Provincetown.

In 1920 Millay published a new volume of poems, A Few Figs from Thistles. This created considerable controversy as the poems dealt with issues such as female sexuality and feminism. Her next volume of poems, The Harp Weaver (1923), was awarded the Pulitzer Prize for Poety. The writer, Dorothy Parker wrote: “Like everybody else was then, I was following in the footsteps of Edna St Vincent Millay, unhappily in my own horrible sneakers…. We were all being dashing and gallant, declaring that we weren’t virgins, whether we were or not. Beautiful as she was, Miss Millay did a great deal of harm with her double-burning candles. She made poetry seem so easy that we could all do it. But, of course, we couldn’t.”

Floyd Dell recalls how he was attending a party at the home of Dudley Field Malone and Doris Stevens, when he saw Edna meet Eugen Jan Boissevain, the widower of Inez Milholland: “We were all playing charades at Dudley Malone’s and Doris Stevens’s house. Edna Millay was just back from a year in Europe. Eugene and Edna had the part of two lovers in a delicious farcical invention, at once Rabelaisian and romantic. They acted their parts wonderfully-so remarkably, indeed, that it was apparent to us all that it wasn’t just acting. We were having the unusual privilege of seeing a man and a girl fall in love with each other violently and in public, and telling each other so, and doing it very beautifully.”

The couple married in 1923. They lived at a farmhouse they named Steepletop, near Austerlitz. Both were believers in free-love and it was agreed they should have an open marriage. Boissevain managed Millay’s literary career and this included the highly popular readings of her work. In his autobiography, Homecoming (1933), Floyd Dell commented that he had “never heard poetry read so beautifully”.

In 1927 she joined with other radicals in the campaign against the proposed execution of Nicola Sacco and Bartolomeo Vanzetti. The day before the execution Millay was arrested at a demonstration in Boston for “sauntering and loitering” and carrying the placard “If These Men Are Executed, Justice is Dead in Massachusetts”.

Later Millay was to write several poems about the the Sacco-Vanzetti Case. The most famous of these was Justice Denied in Massachusetts . Her next volume of poems, The Buck and the Snow (1928) included several others including Hangman’s Oak , The Anguish , Wine from These Grapes and To Those Without Pity. Floyd Dell, a long-term friend, said of her: “Edna St. Vincent Millay was a person of such many-sided charm that to know her was to have a tremendous enrichment of one’s life, and new horizons… Edna Millay was to become a lover’s poet. But with some of her poems she was also to give dignity and sweetness to those passionate friendships between girls in adolescence, where they stand terrified at the bogeys which haunt the realm of grown-up man-and-woman love, and turn back for a while to linger in the enchanted garden of childhood. She had a gift for friendship. People try to draw a distinction between friendship and love; but friendship had for her all the candor and fearlessness of love, as love had for her the gaiety and generosity of friendship.”

In 1931 Millay published, Fatal Interview (1931) a volume of 52 sonnets in celebration of a recent love affair. Edmund Wilson claimed the book contained some of the greatest poems of the 20th century. Others were more critical preferring the more political material that had appeared in The Buck and the Snow.

In 1934 Arthur Ficke, asked Edna St. Vincent Boissevain-Millay to write down the “five requisites for the happiness of the human race”. She replied: ” A job – something at which you must work for a few hours every day; An assurance that you will have at least one meal a day for at least the next week; An opportunity to visit all the countries of the world, to acquaint yourself with the customs and their culture; Freedom in religion, or freedom from all religions, as you prefer; An assurance that no door is closed to you, – that you may climb as high as you can build your ladder.”

Millay’s next volume of poems, Wine From These Grapes (1934) included the remarkable Conscientious Objector , a poem that expressed her strong views on pacifism. Huntsman, What Quarry? (1939) also dealt with political issues such as the Spanish Civil War and the growth of fascism.

During the Second World War Millay abandoned her pacifists views and wrote patriotic poems such as Not to be Spattered by His Blood (1941), Murder at Lidice (1942) and Poem and Prayer for the volume entitled Invading Army (1944).

Eugen Jan Boissevain died in Boston on 29th August, 1949 of lung cancer. Edna St Vincent Boissevain-Millay was found dead at the bottom of the stairs in Steepletop on 19th October 1950.

By John Simkin (john@spartacus-educational.com) free content published by Spartacus Educational

Maria Barbera Boissevain-Pijnappel: Feministe en liberaal politica

Van links naar rechts: Alphons Diepenbrock, Gustav Mahler en Willem Mengelberg. Zittend: Mathilde Mengelberg-Wubbe, Hilda Gerarda de Booy-Boissevain, Petronella Johanna Boissevain en Maria Barbera Boissevain-Pijnappel. Tijdens bezoek van Mahler aan Nederland, Zuiderzee bij Valkeveen in maart 1906.

Maria Barbera (Marie) Boissevain werd in 1907 lid en voorzitster van de net opgerichte Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht. Als voorzitster benadrukte ze de verschillen tussen mannen en vrouwen. Ze wilde niet strijden tegen mannen, maar tegen de omstandigheden. De Bond nam geen standpunt in over de wenselijkheid van algemeen kiesrecht, zodat ook voorstanders van een beperkt vrouwenkiesrecht zich konden aansluiten. Boissevain streed niet alleen voor vrouwenkiesrecht, maar ook voor staatsburgerschap voor vrouwen.

In 1920 fuseerde de Bond voor Vrouwenkiesrecht met de Vereeniging tot Verbetering van den Maatschappelijken en den Rechtstoestand der Vrouw in Nederland tot de Unie voor Vrouwenbelangen. Daarvan werd Maria Boissevain-Pijnappel de eerste voorzitster. Haar familieleden Mia Boissevain en Mies Boissevain-van Lennep waren eveneens in de vrouwenbeweging actief.

Van 1919 tot 1936 zat Maria in de Provinciale Staten van Noord-Holland. In 1919 werd ze in de liberale politieke partij Economische Bond van Willem Treub gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland. Vrouwen hadden toen alleen passief kiesrecht: ze konden gekozen worden, maar niet zelf kiezen. Toen de Economische Bond samen met diverse andere liberale partijen in 1921 opging in de Vrijheidsbond werd ze daarvan lid en bleef zij in de Provinciale Staten, tot 1939. Ze werd ook bestuurslid van de Vrijheidsbond.

Als Statenlid hield ze zich onder meer bezig met het verbeteren van de efficiëntie in de gezondheidszorg. Ook stimuleerde ze de volkshuisvesting. Ze pleitte voor diverse onderwijshervormingen, zoals invoering van handenarbeid op de lagere school, zodat kinderen beter in staat zouden zijn een passende beroepskeuze te maken. Meer persoonlijke verantwoordelijkheid kweken vond ze essentieel voor het onderwijs. Vanwege haar drukke gezin stelde ze zich niet kandidaat voor de Tweede Kamer.

Auteur biografie: Mariek Hilhorst

Publicaties van: Congres voor sociale verzekering bijeengeroepen door de vereeniging van Raden van Arbeid (…) te Utrecht op 11 en 12 october 1921 : Verzamelde referaten : Verslag / C. Pothuis-Smit, C. Frida Katz, M. Boissevain-Pijnappel. – Amsterdam : Vereeniging van Raden van Arbeid.

Archieven: Aletta instituut voor vrouwengeschiedenis