Willem Frederik Lamoraal Boissevain: Nederlands koloniaal ambtenaar

Van links naar rechts: Wicher, Emile Henri, Willem, Frederik Lamoraal Sr, Willem, Frederik Lamoraal Jr, Henri Edmund en Emilie Louise Boissevain-Court

Op 5 april 1919 overleed op 66-jarige leeftijd de oud-resident W.F.L. Boissevain (1852-1919). Een krachtige persoonlijkheid, een sieraad van het corps Binnenlands Bestuur was hij gedurende zijn meer dan vijf en dertigjarige diensttijd, waarin hij achtereenvolgens alle rangen vanaf aspirant-controleur tot resident doorliep. Geboren te Arnhem, 28 november 1852, trad hij in 1874 in de Indische dienst en was controleur in de gewesten Japara en Cheribon.

Na zestien jaren dienst werd hij assistent-resident van Blora (1890), om vervolgens deze afdeling te verwisselen met de afdelingen Berbek (1892), Toeban (1897) en Toeloeng Agoeng (1899). Vooral in de afdelingen Blora en Toeban had hij gelegenheid zich als een flink politieman te doen kennen. Ruim acht en twintig jaren waren er na zijn indiensttreding verlopen toen Boissevain benoemd werd tot resident van Madioen. (Men ziet de promotie ging in die dagen niet schitterend!) Een niet gemakkelijk te besturen gewest, met zijn grote particuliere industrie. De suikercultuur, die zulk een grote invloed uitoefent op de economische ontwikkeling der inlandse bevolking, mocht Boissevain niet tot zijn vrienden tellen. Hij zag de voordelen, die deze cultuur onmiskenbaar heeft voor de materiële welstand der bevolking niet over het hoofd, doch hij wist bij ondervinding dat de nadelen zeer groot waren, dat de inlander nu eenmaal een slecht financier is en zijn grond verhuurt aan de suikerfabrikant voor een bagatel, om ten slotte van gezeten landbouwer tot dagloner af te dalen. En toen, zestien jaren terug, waren de grondhuurprijzen werkelijk ook buitengewoon laag; gaande weg is zulks beter geworden. Na vier jaren in het gewest Madioen met krachtige hand te hebben bestuurd, werd resident Boissevain in 1907 door de regering geroepen naar de zich meer en meer ontwikkelde residentie Preanger-Regentschappen. Er was daar een krachtig bestuurder nodig en de keuze viel op de man, die getoond had zonder aanzien des persoons te kunnen optreden en zeker wel aan de verouderde toestanden in dit gewest een eind zou weten te maken.

COLLECTIE_TROPENMUSEUM_Ambtswoning_van_de_familie_Boissevain_TMnr_60052530

Ambtswoning van de familie Boissevain

Vier jaren, van 1907 tot 1911 (slechts onderbroken door een half jaar verlof naar Europa, met behoud van betrekking, een unicum), bestuurde hij dit belangrijke gewest en men gevoelde al spoedig dat er een nieuwe frisse wind vanuit Bandoeng over de Preanger-afdelingen, met harde feudale regenten, die zich nog zo’n beetje inlandse vorsten voelden, ging waaien.

Tegenstand, lijdelijk verzet, bleven niet uit; maar toestanden, die reeds sinds lang niet meer op overig Java bestonden, moesten veranderen, verouderde inzichten moesten plaats maken voor nieuwe ideeën. Het was duidelijk, deze resident speelde er niet mee; wat hij meende dat gebeuren moest, geschiedde; hij was wel een autocraat, hij was de man van het ‘l’état c’est moi’, maar in die tijd was zulks nodig; het bestuur der Preanger was langzamerhand verslapt, de zaken waren slechts gaande gehouden; er was geadministreerd, niet bestuurd en onder de inlandse ambtenaren was een soort van familieregering ontstaan, die aller noodlottigste gevolgen had. Daaraan is door Boissevain een einde gemaakt en toen hij in 1911 aftrad kon hij het bestuur van het gewest in handen van zijn opvolger overgeven, in heel wat betere toestand, dan waarin hij het had ontvangen. Slechts acht jaren heeft hij van zijn welverdiende rust, na zo’n welbesteed leven, mogen genieten, maar de belangen van het corps B.B. bleef hij nog behartigen, daar hij geruime tijd zitting had in het bestuur der Vereniging van Ambtenaren bij het B.B. Met Boissevain is een der krachtigste figuren van het B.B. uit een thans afgesloten periode heengegaan. Man van daden, niet van woorden en ‘papieren brieven’, placht hij snel te handelen, zonder eerst angstvalig te vragen “is er wel een antecedent” of “wat zeggen de bepalingen?” Het spreekt van zelf dat zulk een man in de smaak moest vallen van de Gouveneur-Generaal van Heutsz, die zijn adviezen op de hoogste prijs stelde en daarvan meermalen ondubbelzinnig blijken van gaf. Een zetel in de Raad van Indië scheen voor hem niet bestemd, doch werd door een ander resident van Java, jonger in dienst dan hij, bezet. Dat dit hem griefde spreekt van zelf en was met nog andere teleurstellingen in de dienst, gedurende het jaar 1910, wel de oorzaak dat hij begin 1911 zijn pensioen vroeg op 58 jarige leeftijd, nog in de kracht des levens.

Naar populariteit streefde hij niet; hij was streng in de dienst, streng ook voor zijn ondergeschikten, vorderde veel van hen, maar steunde ook zijn ambtenaren, waar zulks nodig was, stond voor hen op de bres. Ofschoon autocraat, dreef hij geenszins zijn mening à tort et à travert door, als men op goede gronden kon aantonen dat die aanvechtbaar was. Dan gaf hij toe en apprecieerde dat men rond voor zijn gevoelen uitkwam. Als resident van Madioen ontving hij het ridderkruis van de Nederlands Leeuw, een welverdiende onderscheiding, maar groter onderscheiding is dat zijn naam zal voortleven bij het corps voor welks belangen hij steeds op zo energieke wijze opkam.

R.I.P. van Bijleveld, ’s-Gravenhage  (april 1919)

Terugkeer met de ‘Boissevain’

ms boissevain

Eind dertigerjaren van de vorige eeuw vertrekken mijn grootouders met gezin uit Nederlands Indië voor groot verlof in Nederland. De Tweede Wereldoorlog breekt uit en terugkeer naar Indië is onmogelijk. Het gezin vestigt zich in Den Haag en overleeft de oorlog. Mijn overgrootvader Eduard Frans Janssen van Raaij is in Indië achtergebleven. 30 januari 1945 overlijdt hij in het krijgsgevangenkamp van Tjimahi. Daarmee komt een einde aan bijna een eeuw koloniale familiegeschiedenis.

De geschiedenis van mijn familie in Nederlands Indië bleef voor mij verborgen. Na het overlijden van mijn vader erfde ik de fotoalbums en brieven uit die tijd. Ik zie mijn overgrootvader Willem Frederik Lamoraal Boissevain als resident in smetteloos wit kostuum op de foto’s poseren na een tijgerjacht. Ook is er een fotoalbum over de reis naar Nederland dwars door Duitsland. Vlaggen met hakenkruisen hangen uit de gebouwen. Aan nader onderzoek naar het koloniale- en oorlogsleven van mijn voorouders ben ik nog niet toegekomen.

Diederik van Vleuten ontroert met zijn eerste soloprogramma ‘Daar Werd Wat Groots Verricht’ veel mensen met een Indisch verleden. Het programma gaat over een eeuw familie- en vaderlandse geschiedenis, die veel oude herinneringen naar boven brengt. Hij vertelt het levensverhaal van zijn oudoom Jan. Wij horen over zijn leven in het voormalig Nederlands Indië, het Jappenkamp tijdens de bezetting en de capitulatie van Japan die direct werd gevolgd door het uitroepen van een onafhankelijke ‘Republic Indonesia’. Jan en zijn vrouw Aukje van Vleuten keren in het passagiersschip ‘Boissevain’ terug naar Nederland. Oud-Indiëgangers brengen dit schip in verband met het voormalig Nederlands Indië.

Midden in de crisistijd besluit de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM) om de ontoereikende schepen op de lijnen tussen Azië, Java en Afrika te vervangen door drie snelle motorschepen met elk drie schroe­ven. De schepen worden ver­noemd naar Jan Boissevain, Willem Ruys en Petrus Emilius Tegelberg. Deze drie mannen richten in 1888 de KPM op voor het onderhouden van scheepsverbindingen in de Nederlands Oost-Indische Archipel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden de schepen gevorderd door het Engelse Ministry of Wartransport en omgebouwd om dienst te doen voor troepentransporten. Zij nemen ze deel aan de landingen in Noord-Afrika en Italië.

Na de oorlog keert het 175 lange schip de ‘Boissevain’ (oorspronkelijk gebouwd voor 657 passagiers) weer terug naar de KPM. Het schip brengt vele Indische repatrianten, waaronder de Van Vleutens, terug naar Nederland. In de jaren ’46 en ’47 worden Nederlandse dienstplichtigen, die worden ingezet bij de politionele acties, met het schip verscheept. Het troepenschip vertrekt uit de haven van Amsterdam met 3.000 militairen aan boord. In 1946 breekt muiterij uit op de ‘Boissevain’ tijdens het troepentransport. Een groep mariniers wordt naar Egypte gevlogen en met een torpedoboot naar de ‘Boissevain’, die in de Rode Zee ligt, gevaren om de orde te herstellen. In 1968 komt de ‘Boissevain’ bij de oostkust van Japan in aanvaring met een Japans motorschip. Hierbij komt het Japanse schip tot zinken. Enkele maanden later wordt de beschadigde ‘Boissevain’ in Taiwan gesloopt. De naam van het schip blijft voor altijd verbonden aan de vaderlandse geschiedenis bij de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog.

Niets is ooit geheel voorbij

theeplantage

 

Hella Haasse lezen is meegevoerd worden in een tijdmachine. Je wordt meegenomen naar een andere wereld, een andere tijd en een andere cultuur. Maar bovenal word je ondergedompeld in het levensverhaal van de hoofdpersonen. In ‘Heren van de thee‘ worden Rudolf Kerkhoven en zijn echtgenote Jenny Roosengaarde Bisschop tot leven gewekt. Eind negentiende eeuw vertrekken zij naar een afgelegen theeonderneming in Nederlands Indië. Het levensverhaal van het echtpaar speelt zich af tegen de achtergrond van de mysterieuze Javaanse natuur:

“Er trok een wolk voor de zon, de eerste van de gestaag rijzende wal die later in de middag in een stortbui uiteen zou breken. Dat het op Gamboeng zo vaak en zo hevig zou regenen, had hij niet voorzien. Die regen en de eenzaamheid (hij had nu in bijna drie maanden geen woord Nederlands gehoord of gesproken) waren de schaduwzijden van zijn Eldorado. Hij dacht soms met een vleug zelfspot aan de grenzeloze verrukking die hem had bevangen toen hij voor de eerste maal op de bergkam stond. Nog beleefde hij dergelijke ogenblikken van puur geluk, wanneer na noodweer bij de uitgang van het druipende oerwoud, of ’s ochtends als hij zijn deur opendeed, het grandioze panorama van de Pantjoer, de Patoeha en de Tambagroejoeng zich voor hem ontvouwde, de Gedeh op de achtergrond, in schakeringen van blauw en violet zichtbaar was, terwijl vlakbij de drietoppige Goenoeng Tiloe zich machtig verhief. Hij ervoer telkens weer dat dit landschap – al meende hij het nu beter te kennen omdat hij het in alle richtingen doorkruist had – zich als het ware terugtrok in een niet te doorgronden eigen bestaan. Hij begreep ook waarom voor de mensen die hier woonden elke boom, steen en bergstroom bezield was, een wezen met een naam, een bijzondere macht”

Rudolf staat tegenover het landschap en ervaart de verwijdering ten opzichte van het inheemse gebied en de inlanders die er wonen. Zijn koloniale veroveringsdrang botst met het andere en ongrijpbare voormalig Nederlands Indië. Rudolf wil vooruitgang en zakelijk succes. Zijn vrouw is anders. Zij is geboren in Indië, denkt aan haar jeugd en voelt de duistere krachten van Indië. Heren van de thee is, zoals de meeste romans van Haasse, gebaseerd op een waar gebeurd verhaal. Zij verrichtte daarvoor diepgaand genealogisch-, historisch- en litteratuuronderzoek. Maar verbluffend was haar vermogen zich in te leven in de personages. Dat maakt haar tot één van de beste vaderlandse schrijvers ooit.

Haasse miste het chagrijn en de ijdeltuiterij die haar mannelijke collega’s kenmerkten. Ook wierp ze zich niet op als aanvoerder van de schrijvende elite of als mediapersoonlijkheid. Zij was een sympathieke en geëmancipeerde vrouw. En dus geniet zij niet de heldenstatus die haar generatiegenoten, zoals Harry Mulisch, ten deel zijn gevallen. Het oeuvre dat Hella Haasse nalaat is evenwel magistraal en onovertroffen.

Net zoals mijn vader is Haasse geboren en getogen in het voormalig Nederlands Indië. Haar Indische jeugd heeft haar getekend. Zij voelde zich daarna een vreemde in Nederland. Mijn vader sprak nooit over zijn jeugd. Mijn overgrootvader was resident van de Preanger, de streek van de theeplantage van Rudolf Kerkhoven. Met harde hand probeerde mijn overgrootvader het inheemse verzet te onderdrukken. En evenals Rudolf werd ook hij het slachtoffer van zijn Hollandse rechtlijnige aanpak. De zwarte bladzijden van onze familiegeschiedenis werden helaas voor mij verborgen gehouden. Maar door de boeken van Haasse is die geschiedenis tot leven gewekt. En net zoals haar voorganger Multatuli zal deze geschiedenis altijd levend blijven. Ik ben Haasse dankbaar voor haar prachtige geschriften. Toekomstige generaties zullen ook blijven genieten van haar oeuvre. Het verleden blijft een ontdekkingsreis en inspiratiebron, zoals Haasse schrijft in ‘De tuinen van Bomarzo’:

“Ik weet niet waar het heden ophoudt en het verleden begint. Niets is ooit geheel voorbij. De geschiedenis kan op duizend manieren geschreven en herschreven worden.”