Charles Ernest Henri Boissevain: Amsterdamse ammoniakfabrikant

Charles Ernest Henri Boissevain en zijn echtgenote Maria Barbera Boissevain-Pijnappel

Charles Ernest Henri Boissevain (1868-1940), lid van de familie Boissevain, was een Amsterdamse ammoniakfabrikant, om preciezer te zijn, de eigenaar-directeur van NV Ammoniakfabriek Van der Elst & Matthes, dat gevestigd was in het gehucht Driemond, iets ten oosten van Amsterdam tussen de Gaasterplas en Weesp. Hij was daarnaast onder meer bestuurslid bij het Concertgebouw (1897, 1903-1904 en 1915-1931) , gemeenteraadslid te Amsterdam (1905-1907 en 1909-1919), lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland (1910-1918), lid van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst (1910-1917), lid van de Internationale Kamer van Koophandel der Nederlanden in Parijs en directeur van het Algemeen Handelsblad. Zijn vrouw Maria Barbera Pijnappel (1870-1950) was voorzitster van de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht, lid van Provinciale Staten voor de Vrijheidsbond en algemeen voorzitter van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Het echtpaar kreeg tien kinderen, onder wie zes dochters, die beschermd werden opgevoed onder de hoede van een kindermeisje.

‘De zes dochter van Boissevain’ door Thérèse Schwartze (1916). vlnr: Catharina Josphine (Teau), Maria Cornelia (Mary), Helena Catharina (Heentje), Emily Héloïse Boissevain. Voor staan Elisabeth Antonia (Els) en Dieuke Machteld Hilda Boissevain

Therese Schwartze maakte van die zes dochters een magnifiek portret. Ze portretteerde de jonge dames in haar atelier. De meiden, in de leeftijd van zes en negentien jaar, worden weergegeven in een setting met een gordijn, en staande achter een balustrade versierd met een guirlande. Van links naar rechts: in gele jurk Catharine Josephine (Teau) Boissevain (1905-2002), dan Maria Cornelia (Mary) Boissevain (1899-1995), in witte jurk en zwarte strik Elisabeth Antonia (Els) Boissevain (1907-2001), staand erachter Helena Catharina Justina (Heentje) Boissevan (1897-1993), leunend op haar handen Dieuke Machteld Hilda Boissevain (1910-1987) en met hoed Emily Héloïse Boissevain (1903-1968). Het olieverfschilderij is rechthoekig en 146 x 130,5 cm groot. Het was eind 1916 in het openbaar te zien bij de tentoonstelling van leden van de kunstenaarsvereniging Sint Lucas in het Stedelijk Museum Amsterdam. In 1919, na het overlijden van Thérèse Schwartze, werd het schilderij opnieuw in het Stedelijk getoond, bij een overzichtstentoonstelling met 163 van haar werken. Het schilderij was familiebezit tot het in 1990 door Teau Huisken-Boissevain aan het Amsterdam Museum werd geschonken.

Bron: Muizenest

Werken waar het werk is

Uitvoerders van de publieke zaak (waaronder arts, leraar, politieagent, rechter, gemeente beambte, UWV-medewerker) hebben één ding met elkaar gemeen. Zij zijn onderworpen aan de spelregels van een kunstmatig gecreëerde markt en worden gedwongen in een keurslijf van productienormen, protocollen en modellen. Daardoor moeten zij noodgedwongen veel tijd besteden aan administratie- en rapportageplicht. Kostbare tijd die ten koste gaat van het contact met de patiënt, leerling, burger of cliënt.

Uitvoerders voelen zich opgezadeld met overbodig tijdrovend werk. Ze moeten plannen opleveren, contactjournaals bijhouden en allerhande formulieren invullen zonder te weten wat met die informatie wordt gedaan. Daarbij komt dat ze veelal moeten werken met diverse systemen die niet op elkaar zijn aangesloten. Het administratieve werk bestaat voornamelijk uit informatie zoeken, plak- en knipwerk, mailverkeer en bijhouden van planningsoverzichten en actielijsten. De Amerikaanse antropoloog Graeber noemt de mensen die dit werk doen Ducktapers. Zij houden zich bezig met het oplossen van problemen die eigenlijk geen probleem zijn of die makkelijk geautomatiseerd kunnen worden. Een voorbeeld daarvan is de zorgverlener die meer dan 40 procent van zijn tijd kwijt aan het vergaren en creëren van informatie over patiënt en behandelkeuzes.

Uitvoeringsorganisaties zadelen hun medewerkers op met een groot aantal onsamenhangende en deels overlappende applicaties ter ondersteuning van hun administratieve werk. Inefficiënte software en onsamenhangende bedrijfsprocessen belemmeren de productiviteit van veel medewerkers. Dit blijkt uit een analyse die Pega uitvoerde van 5 miljoen uur aan desktopactiviteit van administratieve medewerkers. Het onderzoek toont aan dat medewerkers gemiddeld elke minuut – dagelijks meer dan 1.100 keer – moeten schakelen tussen 35 kritische bedrijfsapplicaties. Dat maakt hun werk onnodig complex en inefficiënt en leidt tot frustraties. Medewerkers maken onnodige vergissingen en verrichten overbodige handelingen die ook geautomatiseerd kunnen worden:

  • Werknemers verrichten dagelijks gemiddeld 134 ‘knip en plak’ handelingen, dit toont aan hoe vaak medewerkers met dezelfde gegevens tussen applicaties moeten schakelen om een taak te kunnen afronden.
  • Medewerkers maken per dag 845 typefouten, of bij iedere 14 toetsaanslagen, een reden te meer om hun workflow te automatiseren en zo de kans op handmatige fouten te verkleinen.
  • Slechts 28 procent van de actieve werktijd wordt besteed in gestructureerde applicaties versus losse kantoorsoftware zoals spreadsheets en tekstverwerking. Dit impliceert dat het gebruik van deze gestructureerde applicaties niet genoeg is.

Daarnaast zijn er de nodige gebeurtenissen die werknemers afleiden van hun productieve taken:

  • Werknemers controleren 10 keer per uur, ofwel elke 6 minuten, hun e-mail gedurende hun werkdag.
  • Medewerkers besteden 13 procent van hun tijd aan e-mails, waarvan slechts 23 procent bijdraagt aan daadwerkelijke waarde creatie voor de organisatie.
  • Mensen met langere werkdagen, maken negen procent meer fouten dan degenen die minder uren maken. Een bewijs dat de aandacht na een lange werkdag verslapt.

Digitale transformatie zorgt voor optimale aansluiting van het werk op het voortbrengingsproces, ofwel de klantreis. Bij dienstverlening wordt de invoer door zelfbediening verlegd naar de bron, de eindklant. Data wordt in toenemende mate op natuurlijke wijze vergaard, bijvoorbeeld door spraak, via sensoren of slimme koppelingen. Daardoor wordt het werk achter een desktop tot een minimum beperkt en kunnen meer handen aan het bed en kan meer blauw op straat. Uitvoerders van de publieke zaak moeten weer kunnen werken waar het werk is.

Omissie van de commissie

Verouderde systemen vormen een blok aan het been van vrijwel iedere organisatie binnen de publieke sector. Volgens analisten gaat inmiddels 80 procent van de ICT-budgetten op aan het in standhouden van legacy. Dat percentage neemt ieder jaar verder toe. De Belastingdienst moet jaarlijks zelfs miljoenen extra uittrekken om de continuïteit van de belastinginning te waarborgen. De organisatie werkt met zo’n zeshonderd grotendeels verouderde transactiesystemen. Die systemen vormen een belemmering voor digitale wendbaarheid. Maar de systemen bevatten ook veel businesswaarde die in lange tijd is opgebouwd.

Publieke uitvoeringsorganisaties ervaren de problemen bij het beheer van hun legacy systemen. Veel van de systemen zijn slecht gedocumenteerd en de kennis om ze te onderhouden wordt schaars. De systemen zijn complex en bevatten vaak verlopen licenties, onbekende softwarefouten en componenten waar geen support meer voor bestaat. De beveiliging laat te wensen over, waardoor de organisatie kwetsbaar is voor cyberdreigingen. Oplopende kosten en beperkte aanpasbaarheid zijn problemen die intern opgevangen kunnen worden. Maar de organisatie staat volop in de schijnwerpers als de continuïteit van de dienstverlening in het geding is als gevolg van storingen, onbetrouwbare verwerking of datalekken.

Organisaties binnen de publieke sector maken werk van de vervanging van hun legacy, maar die operatie is niet zonder risico’s. Wat je in dertig jaar tijd hebt opgebouwd kun je niet binnen een paar jaar vervangen. Een aantal ambitieuze vernieuwingsoperaties binnen het Rijk draaide uit op een fiasco. Zo stopte de Belastingdienst na negen jaar en 203 miljoen de ontwikkeling van het computersysteem ETPM dat de inning álle belastingen en uitbetaling van álle toeslagen, voorschotten en verrekeningen zou moeten regelen. Het Wia-project van UWV moest de opvolger van de WAO in goede banen leiden, maar werd na drie jaar en investering van 87 miljoen euro stilgelegd. De SVB stak 43 miljoen euro in de ontwikkeling van een Multiregelingensysteem, maar het systeem heeft geen moment gefunctioneerd.

Een parlementaire onderzoekscommissie deed vier jaar geleden onderzoek naar mislukte ICT-projecten van de overheid. In het eindrapport van de commissie wordt met geen woord gesproken over de achtergrond van het falen, de legacy erfenis en de oplopende beheerkosten. Om een vermeende jaarlijkse verspilling van 1 tot 5 miljard aan mislukte ICT-projecten te voorkomen moest een tijdelijk bureau voortaan alle ICT-plannen boven de 5 miljoen euro toetsen op haalbaarheid. Deze maatregel lost helaas geen fundamentele problemen op. Het is een vorm van symptoombestrijding, want het bureau verstrekt overwegend risicomijdende adviezen. Het versterkt de afkeer van fundamentele businessveranderingen en digitale transformatie bij publieke uitvoeringsorganisaties. Organisaties kiezen bij het doorvoeren van veranderingen veelvuldig voor maatwerk, gebaseerd op verouderde technologie, om de continuïteit van de bedrijfsvoering niet in gevaar te brengen. Dat is slechts een kortetermijnoplossing. Op de lange termijn vergroot het de problemen van de legacy, met toenemende instabiliteit en verder oplopende beheerkosten tot gevolg.

De legacy is een tikkende tijdbom die snel onschadelijk gemaakt moet worden. Maar in één keer vervangen is ook geen verstandige optie. Snelle modernisering van een verouderd IT-landschap kan worden gerealiseerd door met standaard technologie een brug te slaan tussen de oude transactiesystemen en nieuw te realiseren businessprocessen. De businesswaarde die in tientallen jaren is opgebouwd wordt dan behouden en benut. Daarnaast kan budget worden vrijgemaakt door ketengericht te denken en werken. Binnen ketens zijn soms wel dertig verschillende zaaksystemen in gebruik, bijvoorbeeld in de jeugdzorg of in het strafrecht. Iedere schakel binnen de keten heeft zijn eigen legacy systemen. Daar kan één vervangend systeem, dat gebruik maakt van de aanwezige data en generieke componenten, voor in de plaats komen. Zo wordt een groot deel van de 80 procent voor instandhouding van de legacy vrijgemaakt voor innovatie.

Nieuw Register Overheidsorganisaties

Wie te maken krijgt met publieke dienstverleners moet zich noodgedwongen een weg banen langs overheidsorganisaties met drie letter afkortingen. Iedere organisatie heeft een of meer eigen websites die toegang geven tot regelingen die veelal ook met drie letters worden aangeduid. Het is natuurlijk nuttig om te weten waar die letters voor staan, maar veel wijzer word je daar niet van. Veel van de letters staan voor nietszeggende aanduidingen als centraal, kantoor, uitvoering of administratie. Interessanter is het om de achtergrond van de organisatie te begrijpen.

Zo staat DUO voor Dienst Uitvoering Onderwijs. De dienst voert weliswaar geen onderwijs uit. Dat doen de onderwijsinstellingen. DUO biedt twee aparte digitale loketten DUO en Studielink waar studenten hun inschrijving, studiefinanciering, reisproduct en andere zaken kunnen regelen. Veel studenten klagen over de ingewikkelde afhandeling. Zij zouden al hun zaken het liefst bij één centraal studentenloket willen regelen. In de afgelopen dertig jaar is evenwel grote vooruitgang geboekt met de digitalisering sinds de problemen bij de invoering van de Wet Studiefinanciering in 1988 binnen de toenmalige Informatiseringsbank. Die laatste bank was natuurlijk geen echte bank. Net zomin als de Sociale Verzekeringsbank (SVB) die onder andere verantwoordelijk is voor de uitvoering van het AOW-pensioen en de kinderbijslag.

Veel minder bekend is overheidsorganisatie CAK (oorspronkelijk een afkorting van Centraal Administratie Kantoor). Het CAK spoort onverzekerden op door bestanden te vergelijken. Vorige maand ontving mijn zoon een brief van de CAK Manager Afdeling Backoffice die opende met: ‘U bent ingeschreven als inwoner van Nederland. Maar u heeft nog geen zorgverzekering. Iedereen in Nederland moet een zorgverzekering hebben voor het wettelijk basispakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw).’ Verderop in de brief volgt de waarschuwing: ‘Als u over 3 maanden niet verzekerd bent, krijgt u een boete. Die bedraagt € 386,49.’ De brief beschrijft hoe te handelen voor situaties waar geen Nederlandse zorgverzekering nodig is. De optie dat CAK over onjuiste informatie beschikt, omdat de geadresseerde wel een wettelijk basispakket heeft, wordt niet benoemd.

Mijn zoon is keurig verzekerd. Daarom besluit ik het informatienummer van het CAK te bellen. De medewerkster van het contactcenter meldt mij dat de onterechte aanmaning een bekend probleem is dat meestal optreedt wanneer de situatie van de verzekerde wijzigt. Zij geeft toe dat het CAK al heel veel klachten heeft ontvangen. Onderzocht wordt nog waar het fout gaat. Het is mogelijk een fout bij de SVB of elders binnen de overheid. Daaruit maak ik op dat het CAK in ieder geval geen blaam treft. Ik vraag of wij nog een schriftelijke bevestiging krijgen van de onterechte aanmaning en intrekking van de boetedreiging. Dat gaat het CAK niet doen. Wel kan ik mijn zoon vragen via de website een verklaring te verkrijgen over zijn registratie in het Referentiebestand Verzekerden Zorgverzekeringswet (RBVZ).

Het ligt natuurlijk voor de hand de digitale publieke dienstverlening af te stemmen op de leefwereld van mensen. De complexiteit van de overheid maakt het voor mensen lastig om de systeemwereld van de overheid te begrijpen en er mee om te gaan.  Om helder inzicht te krijgen in de overheid komt het ministerie van BZK nu met een nieuw Register van Overheidsorganisaties (ROO). Dit register biedt een overzicht van alle overheidsorganisaties met koppeling van verschillende registraties en regelingen.

Jean Henrij Guillaume Boissevain: jurist en publicist

Familie Jean Henrij Guillaume Boissevain, zilveren bruiloft in 1868 Wicher, Jean Henri Guillaume, Jelle, Anna Sara Wichers, Willem, Hugo, François, Eduard, Margot en Henri

Jean Henrij Guillaume Boissevain (Amsterdam 30-5-1817 – Arnhem 29-4-1870) is zoon van Henry Jean Boissevain en Aleida Margaretha Reiners. Hij huwde 6-7-1843 met Anna Sara Wichers. Uit dit huwelijk werden, behalve 2 zoons die jong overleden, 7 zoons en 2 dochters geboren.

Boissevain kwam uit een hugenotenfamilie, die zich had toegelegd op de handel en aan het einde van de achttiende eeuw tot welstand was gekomen. Zijn oom Daniel Boissevain en zijn neef GideonJeremie Boissevain waren vooraanstaande kooplieden en reders, en de laatste was al vóór 1848 lid van de Amsterdamse raad. Net als de Van Eeghens en de De Clercqs – aan wie zij waren geparenteerd – behoorden de Boissevains tot de zogeheten ‘tweede coterie’ na de oude Amsterdamse regentenfamilies. Boissevain was het vierde kind uit een gezin van zes kinderen, maar verloor al op vijfjarige leeftijd zijn vader. Vanaf 1836 studeerde hij rechten te Leiden, waar hij op 20 juni 1840 bij prof. H.W. Tydeman promoveerde op een dissertatie over geldlening en rente, De foenore et usuris, secundum Codicis nostri praecepta . Het was echter Thorbecke die op zijn academische vorming en politiek leven de grootste invloed heeft uitgeoefend. Evenals zijn studiegenoot W.H. Dullert, de latere liberale Kamervoorzitter, vestigde hij zich als advocaat te Arnhem.

Bekendheid als ultraliberaal publicist kreeg Boissevain tijdens de beroering rond de leningwet van minister van Financiën F.A. van Hall in februari 1844. Zijn in dat jaar gepubliceerde brochure Wat blijft ons Nederlanders bij de maatregelen der regering te doen over? riep in felle bewoordingen op tot nationale regeneratie en verjonging. De financiële crisis zag Boissevain als symptoom van Nederlands malaise, die primair te wijten was aan de versleten en ondoelmatige staatsinrichting en aan de parasiterende notabelenelite. Alleen een radicale grondwetsherziening en drastische bezuiniging – zo wilde Boissevain onder andere de elf provincies vervangen door vijf departementen en de voornaamste accijnzen en het staande leger afschaffen – zouden het voortbestaan van Nederland als zelfstandige natie kunnen verzekeren. Boissevain was daarmee op dat moment een stuk radicaler dan zijn leermeester Thorbecke.

Kort daarna werd Boissevain medewerker aan De Staatkundige Tooverlantaarn of Utopisch-Politische Snelwagen , een soort maandelijks nevenorgaan (juli 1845 – juni 1846) van de oppositionele Kamper Courant , uitgegeven door K. van Hulst, die al sinds 1840 ijverde voor grondwetsherziening en zich daarbij vooral tot het grote publiek richtte. Het scherpe artikel ‘Kritiek der Troonrede’ van 20 oktober 1845 leidde tot vervolging van Van Hulst, die wegens aantasting van de persoon en het gezag des Konings tot twee jaar gevangenisstraf werd veroordeeld, hoewel zijn verdediger Boissevain tijdens het proces verklaarde zelf het aanstootgevende artikel te hebben geschreven. Van Hulst werd daardoor in de ogen van het publiek een martelaar voor de persvrijheid, te meer daar zijn collega C.A. Thieme, de uitgever van de Arnhemsche Courant , in een soortgelijke zaak door de Hoge Raad enkele dagen eerder was vrijgesproken. Deze drukpersvervolgingen waren van belang, omdat de ministeriële verantwoordelijkheid voor de troonrede in het geding was. Zij gaven aanleiding tot een principiële discussie, waaraan ook Boissevain in 1847 een staatsrechtelijke verhandeling wijdde, Proeve van onderzoek naar den aard der koninklijke onschendbaarheid , na reeds een jaar eerder zijn Pleitredes – waarvoor hij Thorbecke had geconsulteerd – afzonderlijk te hebben uitgegeven.

Vermoedelijk is Boissevain in 1846 of 1847 medewerker geworden van de Arnhemsche Courant , die sinds 1842 onder leiding stond van Thorbeckes vertrouweling N. Olivier. Toen in de zomer van 1848 het Limburgse separatisme oplaaide en de Duitse Bond aanspraak maakte op het hertogdom, trok Boissevain de aandacht met zijn geschrift De Limburgsche kwestie , waarin hij een krachtig pleidooi hield voor afstand van Limburg, zowel om politieke en strategische als om financieel-economische redenen: een dreigende inkomstenbelasting kon op die manier immers worden vermeden en de Nederlandse handel zou profiteren van een betere verstandhouding met Duitsland.

Na 1848 spande Boissevain zich vooral in voor het nieuwe constitutionele bestel door in tien afleveringen Staatsregt van Nederland , verschenen tussen 1850 en 1864, de grondwet en de voornaamste organieke wetten, zoals de kieswet en de gemeentewet, voor het publiek uit te leggen en toegankelijk te maken. Daarnaast was hij de drijvende kracht achter de in augustus 1850 opgerichte Vrijzinnige Kiezers-Vereeniging, die in Arnhem het politieke leven beheerste, al werden de liberalen bij de kamerverkiezingen tot 1866 steevast overstemd door de behoudende en protestantse kiezers van de Veluwe. Voor de buitendistricten was een man als Boissevain, die onder zijn vrienden ‘de Booze’ of ‘Satan’ werd genoemd, volstrekt onaanvaardbaar, zoals bleek bij de tussentijdse verkiezing van 1849, toen hij kansloos werd verslagen door E.W. van Dam van Isselt.

Sinds 1854 was Boissevain hoofdredacteur van de Arnhemsche Courant . Deze was na de val van het ministerie-Thorbecke ten gevolge van de Aprilbeweging in 1853 met financiële steun van de belangrijkste liberale voormannen gereorganiseerd. Daarbij had D.A. Thieme de zakelijke leiding in handen gekregen en waren de kamerleden Dullert en J.P.P. van Zuylen van Nijevelt als toezichthouders aangewezen. Ook schreef Boissevain de hoofdartikelen in De IJsselbode , een in Deventer, Zwolle, Zutphen en Apeldoorn verschijnende periodiek, die door zijn lage prijs een breed publiek bereikte. Na het ter ziele gaan van het thorbeckiaanse blad De Grondwet in 1855 fungeerde de Arnhemsche Courant als hoofdorgaan van de ‘constitutionele partij’. Omstreeks 1860 is de hoofdredactie overgegaan op W.C.D. Olivier, vermoedelijk omdat Boissevain tijdens de formatie van het gematigd-liberale ‘fusie’-kabinet-Rochussen-Van Bosse in maart 1858 niet adequaat had gereageerd. Daarmee was Boissevains landelijke rol uitgespeeld. Wel bleef hij een sleutelfiguur in de Arnhemse politiek: in 1860 werd hij in de Provinciale Staten van Gelderland gekozen en in 1867 in de gemeenteraad. Sinds juni 1852 was hij bovendien secretaris van de Arnhemse Kamer van Koophandel en Fabrieken. Deze functies oefende hij uit tot zijn dood in 1870.

Boissevain was een onverschrokken voorvechter van de liberale zaak vóór en na 1848, die veel heeft bijgedragen tot de verbreiding van liberale denkbeelden onder een breed publiek en met grote energie de praktische organisatie van het liberalisme op plaatselijk niveau ter hand nam. Hij was daarmee een van de belangrijkste figuren op het tweede plan, die van zo grote betekenis zijn geweest voor het wortel schieten van het liberale bestel van 1848

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: Het regerings-ontwerp van gewijzigde Grondwet, vergeleken met het ontwerp der commissie en de bestaande Grondwet… (1 aflevering verschenen; Tiel, 1848); Wat is plaatselijke belasting? (Tiel, 1852); De wet op de onteigening ten algemeenen nutte van den 28 Augustus 1851, in hare beginselen en strekking toegelicht (Arnhem, 1853); De gids voor de provinciale en plaatselijke besturen. Tijdschrift voor het staatsregt in Nederland (2 jaargangen verschenen; Tiel, 1853).

L: W.P. Sautijn Kluit, ‘De Staatkundige Tooverlantaarn of Utopisch-Politische Snelwagen’, in De Nederlandsche Spectator 28 (1883) 238-240, 247-249, 252-253, 264-265, 270-271 en 279-281; idem, Arnhemsche Couranten[Bijdragen tot de geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel V, 1] (Amsterdam, 1892); Ch. Boissevain, Onze voortrekkers. De geschiedenis van eenige leden der familie Boissevain (Amsterdam, 1906) 437-439; M.A. Kok en Carina Scheffers-van Lingen, ‘De belangrijkste personen achter de Arnhemsche Courant in de jaren 1837-1850…’, in G.A.M. Beekelaar [e.a.], in Maar wat is het toch voor eene courant? De Arnhemsche? Opstellen over de Arnhemsche Courant 1830-1850 (Arnhem, 1981) 298-303.

Auteur: J.H. von Santen

Overgenomen van: Resources Huygens ING

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013

Aanbestedingspraktijk is gereguleerd wantrouwen

‘Welke ondernemer wil nog werken voor een overheidsdienst? Veel ondernemers al jaren niet meer, omdat gemeenten en andere overheidsinstellingen onmogelijke eisen stellen en veel bureaucratie veroorzaken. En er wordt al jaren over gepraat over hoe wij die praktijk van overheidsaanbestedingen kunnen verbeteren.’ Dit was de inleiding van een interview dat ik acht jaar geleden had voor VNO-NCW over het voorstel voor een nieuwe aanbestedingswet.

De lobby van de ondernemingsorganisatie heeft indertijd bijgedragen aan een verbetering van het aanbestedingsbeleid voor het MKB en grote ICT-bedrijven. In de aanbestedingswet die op 1 april 2013 inging werd bepaald dat overheidsdiensten die een opdracht aanbesteden geen onredelijke eisen en voorwaarden mogen stellen. Enkele jaren later ging de aanbestedingswet opnieuw op de schop. De aanbestedingsrichtlijnen van de Europese Commissie moesten een bijdrage leveren voor minder administratieve lasten, betere toegang voor het MKB tot overheidsopdrachten en ondersteuning voor innovatie en duurzaamheid. De nieuwe wet, die 1 juli 2016 in werking trad, regelt onder meer een volledig digitale afhandeling van de aanbestedingsprocedure, meer flexibiliteit in de aanbestedingsprocedure en meer duurzaamheid en innovatie in overheidsopdrachten.

De digitale afhandeling van aanbestedingen is een grote verbetering ten opzichte van de tijd waarin bedrijven nog dozen met documenten naar de overheid moesten verschepen bij inschrijving op een aanbesteding. Het levert een belangrijke aan verlaging van administratieve lasten voor bedrijven. In de huidige aanbestedingspraktijk heb ik nog weinig gemerkt van toepassing van meer flexibiliteit. Ik constateer dat er juist steeds meer regels, richtlijnen en voorschriften bij zijn gekomen. Niet de resultaat van een aanbesteding (bijvoorbeeld aanschaf van het beste product of uitvoering van een geslaagd project) staat centraal, maar het proces van de aanbestedingsprocedure zelf. Zo verloor Capgemini onlangs een rechtszaak vanwege een te klein lettertype. Het bedrijf had door het verkleinen van een tabel een voorschrift overtreden en werd uitgesloten van de aanbesteding. Het bedrijf kreeg geen kans de fout recht te zetten en stapte naar de rechter. Die gaf de overheid gelijk. De vormvereisten zijn er niet voor niets, zo oordeelde de rechter.

ICT-leveranciers die zaken doen met zowel private bedrijven als overheidsorganisaties ervaren een wereld van verschil in de aanbestedingspraktijk tussen beide markten. Een verschil dat steeds groter lijkt te worden. Bedrijven oriënteren zich actief op het aanbod in de markt. Zij voeren gesprekken met leveranciers, wonen demonstraties bij, bezoeken beurzen en raadplegen analisten. Inkopers van de overheid mijden ieder contact en blijven op veilige afstand van aanbieders in de markt. Via marktconsultaties doen zij alle communicatie schriftelijk af. Leveranciers worden in een consultatie uitgenodigd een lijst van overwegend gesloten vragen te beantwoorden. Die hebben geen flauw benul wat overheidsinkopers met hun aanbevelingen doen en krijgen dat achteraf ook zelden te horen. Algemeen wordt aangenomen dat het slechts een formele stap is in het inkoopproces, waarbij inkopers een vinkje achter consultatie kunnen zetten.

Tijdens de selectiefase van een aanbesteding hebben bedrijven intensief contact met IT-leveranciers. Die moeten in praktijkproeven hun toegevoegde waarde aantonen. De overheid daarentegen verbiedt ieder persoonlijk contact met leveranciers tijdens de aanbesteding op straffe van uitsluiting. Gegadigden mogen slechts via een digitaal kanaal vragen stellen en moeten daarna genoegen nemen met antwoorden in  een nota van inlichtingen. Bij inschrijving op de aanbesteding moeten leveranciers onverkort alle voorwaarden accepteren die eenzijdig door de overheid worden opgelegd. De contractering met private bedrijven daarentegen wordt bezegeld met een handdruk na intensieve onderhandelingen vanuit wederzijds belang. Tijdens de selectiefase heeft het bedrijf de leverancier goed leren kennen en een vertrouwensband op kunnen bouwen. Dit staat haaks op de aanbestedingspraktijk van de overheid, die is gebaseerd op regels, voorschriften en wederzijds wantrouwen.

De vriendschappen van Mia Boissevain

De jongste van de gezusters Boissevain waar ik een groepsbiografie over schrijf, is Mia Boissevain(1878-1959). Als dochter van de steenrijke Jan Boissevain en Petronella Brugmans was zij onderdeel van het Amsterdamse patriciaat. Mia ontwikkelde zich tot een vrijgevochten vrouw. Na het behalen van haar proefschrift in de Biologie, sloot zij zich aan bij de vrouwenbeweging. In haar keuzes werd zij gedreven door een gevoel voor moderne rechtvaardigheid en het traditionele liefdadigheid vanuit standsbesef. Geconfronteerd met de Eerste Wereldoorlog, zette Mia zich in voor de Amsterdammers en de Belgen. In deze blog kun je een voorproefje lezen van haar verhaal.

Door: Esmeralda Tijhoff

Mia Boissevain voelde zich aangetrokken tot de wetenschappen en kon als een van de eersten vrouwen Plant- en Dierkunde studeren in Amsterdam. Daar heeft zij colleges gevolgd bij Hugo de Vries en werkte ze samen met Max Weber en Anna Weber-van Bosse en Carel Ph. Sluiter. De Webers hadden de gewoonte studenten uit te nodigen op hun buitenhuis, Huize Eerbeek, waar zij beiden eigen laboratoria hadden opgesteld. Mia was daar een graag geziene gast. Zij was ook degene die de specimina van de Siboga-expeditie van Weber conserveerde.

Wegens achterblijvende emancipatie in Nederland vertrok Mia met haar vakgenoot en vriendin Anna de Bruijn voor haar promotieonderzoek naar Zürich. Ze raakte daar bevriend met haar collega Emily Arnesen, die actief was voor vrouwenkiesrecht. Later tijdens een studie in Münster leerde Mia ook Doris Livingstone MacKinnon goed kennen. MacKinnon begon in Londen een protozoölogisch centrum en kon Mia dus weer aan uitstekende Londense contacten helpen. Met Marie Anne van Herwerden werkte ze in de zomers op het Zoologisch Statin in Den Helder.

Wellicht waren het deze vooruitstrevende vrouwen die maakten dat Mia terug in Nederland bij Aletta Jacob aan de deurbel trok. Jacobs zette haar in de vaart van de vrouwenbeweging. Mia ontwikkelde vervolgens een hechte vriendschap met Rosa Manus met wie zij samenwerkte op de derde internationale congres van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht in 1908. Op dat congres werden Mia en Rosa gelanceerd in de wereld van de vrouwenbeweging. Ze ontmoetten er internationale beroemdheden als Carrie Chapman Catt, en de nationale zwaargewichten als Wilhelmina Drucker en Johanna Naber.

Rosa Manus, Carrie Chapman Catt en Mia Boissevain tijdens een bezoek aan de tentoonstelling ‘de Vrouw 1813-1913’.

Rosa en Mia groeiden samen binnen de beweging, zozeer zelfs dat Mia in haar autobiografie bekende haar wetenschappelijke publicaties in 1909 al van minder belang te hebben gevonden dan haar activiteiten voor de vrouwenkwestie. Haar aanstekelijke enthousiasme en haar toegang tot het familienetwerk van het Amsterdamse patriciaat opende vele deuren. Mia zette samen met Rosa Manus allereerst een propaganda afdeling op voor de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK). Niet gek als je bedenkt dat Mia op de Gouden Meisjesschool, een middelbare school voor meisjes, al een schoolkrant had gerund. Via dit werk kwamen Mia in het hart van de vrouwenbeweging terecht. Mia bleef tot 1912 voorzitter van deze commissie.

Mia’s grootste moment was de organisatie van de Tentoonstelling De Vrouw 1813-1913, die ze samen met Rosa Manus opzette. De tentoonstelling was geïnspireerd op de de Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid die Mia met haar moeder in 1898 had bezocht. Mia wilde via iets soortgelijks de emancipatie van de vrouw in het jubileumjaar 1913 (100 jaar onafhankelijk van de Franse overheersing) op de kaart zetten. De tentoonstelling was van een gigantische omvang en een doorslaand succes.

Na de tentoonstelling nam Rosa Manus Mia mee naar London om daar de radicale vrouwenbeweging met eigen ogen te kunnen zien. Volgens Mia was het Rosa die haar  introduceerde bij een reeks interessante mensen. Mia kwam zodoende terecht bij de massabijeenkomst in Hydepark die bruut werd verstoord door een bende mannen, ingehuurd door de anti-vrouwenkiesrecht beweging. Ook zag ze hoe Emmeline Pankhurst werd gearresteerd bij Buckingham Palace. Het netwerk van haar vriendin Rosa was nu ook echt háár netwerk geworden.

Emmeline Pankhurst wordt gearresteerd.

Daarna kwam de Eerste Wereldoorlog en werden Mia en Rosa beiden actief in de vredesbeweging. Mia organiseerde samen met wat hooggeplaatste plaatsgenoten de noodopvang voor Belgische vluchtelingen in Naarden. Samen met Rosa Manus en Aletta Jacobs organiseerden ze ook het Internationaal Congres van Vrouwen. Na de oorlog groeide Rosa Manus door in de vrouwenbeweging en werd een onmisbare organisatorische kracht. Mia steunde de projecten wel, maar nam geen voortrekkersrol meer op zich. Nadat het kiesrecht voor vrouwen in 1919 was overwonnen, nam Mia twee babys in huis waar ze veel plezier aan beleefde. Ze bleef actief als biologe maar heeft geen wetenschappelijk onderzoek meer gedaan.

International Woman Suffrage Alliance in Stockholm,1911. Mia Boissevain is de derde staande van links. Wilhelmina Drucker zit links, Aletta Jacobs zit in het midden.

Rosa kwam af en toe op bezoek om de aangenomen kinderen van Mia en haar prachtige tuin vol stekjes uit verre oorden te bewonderen. Rosa Manus bleef actief, zelfs tijdens de Tweede Wereldoorlog toen zij toch als Jood al in de gevarenzone zat. Zij werd op 16 augustus 1941 gearresteerd en als politiek gevangene naar Scheveningen gebracht. Rosa werd naar het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück, gebracht. Alles wijst erop dat Rosa Manus in maart 1942 in Bernburg werd vergast.

Mia Boissevain was toen allang uit Nederland vertrokken vanwege de astma van één van haar dochters. Eerst woonden ze in Genève waar ook een broer van haar woonde. Daarna trok ze naar Londen waar ze een soort Bed&Breakfast runde voor politici.  Op tachtigjarige leeftijd overleed Mia in Londen.

 

Esmeralda Tijhoff is docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, expertise: Moderne Geschiedenis, Cultuurgeschiedenis, Vrouwengeschiedenis, Biografieën. Op haar website schrijft zij onder meer over geschiedenis en de familie Boissevain.