De netwerken van de familie Boissevain

Charles Boissevain te Leidschendam schreef onderstaand artikel over de geweldige netwerken die zijn voorgeslacht opbouwde doordat Boissevains geregeld trouwden met telgen van andere prominente Amsterdamse families, zoals Van Hall, Van Lennep en Van Eeghen.

Inleiding

In het Museum Van Loon hangt een aantal schilderijen. Het gaat om portretten van bekende Amsterdammers uit de gegoede burgerij, zo rond 1900. Noem hen desgewenst elite of patriciaat. Was er sprake van een netwerk? Het waren mensen uit families die op allerlei manieren met elkaar waren verweven. De families zagen en kenden elkaar van doopplechtigheden, verlovingen, bruiloften en partijen, verjaardagen, begrafenissen en kerkgang. De heren kenden elkaar ook nog van zakelijke contacten – firmanten, de beurs, banken, verzekeringen, scheepvaart en handel, rechtspraak, als stadsbestuurders, via de universiteit, via kranten, tijdschriften, de kunstwereld, de herensociëteit, het studentencorps. Vele personen kenden elkaar ook nog via logeerpartijen, scholen, dans- en andere lessen en andere gedeelde activiteiten, zoals opera-, theater- en concertbezoek. In het onderstaande wordt gekeken in hoeverre de leden van één familie, Boissevain, door huwelijken vermaagschapt waren aan andere families. Allen door domicilie of beroep aan Amsterdam gebonden en afkomstig uit dezelfde kringen. Vermenigvuldig dit overzicht met de namen van alle andere soortgelijke families (en deel door twee) en er zal blijken dat er inderdaad sprake is van één gigantisch netwerk, dat sterk doet denken aan het regentendom in de zeventiende eeuw. En tel daar nog bij op alles wat er op dit gebied in het land allemaal gebeurde buiten Amsterdammers onder elkaar.

Positieve resultaten

En voor wie daar bezwaar tegen zou hebben: zonder deze netwerken en hun bijdragen in geld en inspanning zou het Naardermeer zijn gedempt, er zou geen Vereniging van Natuurmonumenten hebben bestaan en de meeste Hollandse molens zouden zijn afgebroken. Er was nog lang geen Gemeente Universiteit gekomen (1877), en geen Vondelpark, geen Rijksmuseum of Concertgebouw (1888). En duizenden mensen zouden de hulp van allerlei liefdadigheid hebben ontbeerd. Zulke netwerken bestaan nog steeds, maar ze hebben vaak heel andere vormen aangenomen, en zijn zelden in die mate gericht op het heil en het nut van het algemeen. Het voert te ver om daar hier op in te gaan.

De Grachtengordel

De (blanke, protestantse) asielzoekersfamilie Boissevain raakte (wel pas een eeuw na aankomst rond 1700!) in de 19de eeuw verwant aan vele bekende Amsterdamse families. De Boissevains zelf gingen in de negentiende eeuw behoren tot de bekende Amsterdamse families, het Nederlands Patriciaat. Het is altijd leuk om tijdens de familiereünie vanuit een rondvaartboot te zien in welke huizen in de grachtengordel onze voorouders en verwanten hebben gewoond. In het Amsterdamse telefoonboek rond 1893 was Boissevain de derde meest voorkomende naam, na Meijer en De Vries. Maar die waren niet allemaal familie van elkaar, zoals onze voorouders. De leden van al die Amsterdamse families kwamen elkaar overal en voortdurend tegen.

Huwelijken en netwerken

Van een bruiloft komt een bruiloft zegt men wel – en zeker in het Amsterdam van meer dan een eeuw geleden. Er zijn talrijke verbintenissen voortgekomen uit de contacten tussen al die telgen van de Amsterdamse patriciaatsfamilies. Ik noem een aantal Boissevains, met alleen hun voornaam(vet), hun geboortejaar (vnl. in de 19de eeuw) en verwijzing naar de blz. (p. xy) van het Nederlands Patriciaat (NP) 1988. Velen zullen de achternamen van een aantal huwelijkspartners herkennen. Ik volg de bladzijden van het NP boekje en beperk me tot min of meer (door geboorte, familie of verblijf) Amsterdamse (vetgedrukte) achternamen. (s. o. & e.)

Jeanne M. (1798, p. 46) X Hendrik D. Gildemeester (1797)

Caroline Ch. (1799, p. 46) X Willem de Clercq (1795)

Marguerite E. (1801, p. 46) X Jacques E. Pauly (1793) en X Johannes Bosscha) (1797).

Charlotte J.S. (1811, p. 47) X Stephanus de Clercq (1805).

Gideon J. (1796, p. 48) X A. E. Klijn, X J. van Walree (1804) en X Maria van Heukelom (1801).

Annette J.H. (1835, p. 48) X Hendrik L. Kruseman (1831).

Hester (1842, p. 49) X Nicolaas J. den Tex ((1836)(p. 450 – 468).

Jan (1836, p. 52) X Nella (P.G.J.) Brugmans (1838).

Elisabeth A. (1864, p. 53) X Johannes H. Gunning (1859).

Anna Maria (1872, p. 54) X Gi(deon M.) den Tex (1870, p. 462).

Jan (1895, p. 55) X Mies (A.M.) van Lennep (1896).

Walrave (1876, p. 59) X Maria C.J. Blijdenstein (1876) en X Romé (R.A.) Kalff (1887).

Maria (1869, p. 67) X Cornelis van Eeghen (1861).

Hilda (H.G.) (1877, p. 68) X Han de Booij (1867).

Teau (C.J.) (1885, p. 69) X Lieven Ferdinand de Beaufort (1879).

Charles E.H. (1868, p. 69) X Marie B. Pijnappel (1870).

Menso (1892, p. 72) X Lies (J.E.) Uijt den Bogaard (1898).

Bob (R.L.) (1895, p. 74) X Sonia (H.S.) van Tienhoven (1900).

Alfred G. (1870, p. 77) X M.A. Hooglandt (1875).

Olga E. (1902, p. 77) X Herman J. van Lennep (1899).

Theo(dora) J. (1901, p. 79) X Willem F. Sillem (1895).

Gideon M. (1837, p. 88) X Louise C. toe Laer (1837).

Caroline A.A.S. (1868, p. 89) X Gideon S. de Clercq (1862).

Rutger J.G. (1870, p. 90) X Sybille F.F.M. Wilson (1875).

Edouard C. (1841, p. 91) X M.C. Calkoen (1838).

Athanase A.H. (1843, p. 93) X Ottoline H. toe Laer (1844).

Gerardine (1868, p. 93) X Gerrit van der Aa (1864).

Eleonore D. (1885, p. 98) X Gerrit van der Aa (!864).

Georg D.M. (1868, p. 98) X Jeanne D.E.M. van der Aa (1869).

Louise A. (1881, p. 101) X Matthijs Rasen (1882).

Alice H. (1887, p. 101) X Rommert Andriesse (1866).

Charles Faber (1806, p. 102) X Hester Kooy (1819).

Johanna M. (1849, p. 102) X Adriaan A.M. Boon Hartsinck (1849).

Henriëtte M. (1844, p. 106) X Gulian D. Crommelin (1846).

Constance (1851, p. 106) X Johannes W. Lelij (1852).

Georgina M. (1853, p. 106) X Johannes W. Lelij (1852).

Florence H. (1874, p. 107) X Johan C. van Notten (1872).

Cecilia L. (1875, p. 108) X Marinus Crommelin (1882).

Ursul Philip (1855, p. 130) X Wilhelmina C. Momma (1859).

Auguste Ch.H. (1864, p. 144) X Maria A. Advocaat (1871).

Veel groter netwerk

Al die families, en vele andere, hadden allemaal weer hun eigen netwerken. (Zie bijv. de biografie over Willem de Clercq, evenals zijn broer getrouwd met een Boissevaindochter). Bovendien was Nederland veel groter dan alleen Amsterdam. Anders dan nu hielden alle familiale, zakelijke en sociale contacten hen bij elkaar. Laten we wel bedenken wat een geweldige invloed ten goede dit “ons kent ons” ook heeft gehad. Zo was er in 1888 en later veel geld en betrokkenheid nodig voor de bouw van het Concertgebouw, de uitbreiding van het orkest, het aantrekken van dirigenten, solisten en componisten en het besturen van dit alles. De verwantschap maakte het mogelijk dat de nodige middelen er kwamen, telkens weer.

Alleen al deze paar gegevens over één familie in één plaats in één eeuw maken duidelijk hoezeer Amsterdam en Nederland vooral vroeger maar soms nu nog aan elkaar heeft gehangen en nog hangt van onzichtbare netwerken. Tegenwoordig spelen allerlei andere netwerken een veel grotere rol. Netwerken van bedrijfsleven, besturen, beroepen, studie, politiek, godsdienst, clubs en verenigingen, internet enz. enz.

Dubbel netwerk

De aandachtige lezer mist in het bovenstaande overzicht twee ‘grote’ netwerk- maar ook liefdes-huwelijken. Met veel pracht en praal gevierd tussen twee nichtjes Boissevain met twee broers Van Hall. Nella Boissevain (P.J.) (1873, p. 54) 1896 X Aat (A.F.) van Hall (1870) en haar volle nicht Hester Boissevain (1873, p. 68) 1895 X (Aats oudere broer) Jan van Hall (1866). Velen van de thans oudste generatie Boissevains herinneren zich nog deze echtparen en hun (halve Boissevain) kinderen.

De grootstedelijke Amsterdamse tak Aat van Hall en Nel B. kregen achtereenvolgens Nelleke (X René de Monchy), Dea, Mia (X Frans van Oyen en X Wiete Hopperus Buma), Floor (X Olga Heldring), Gijs (X Emmy Nijhoff), Wally (X Tilly den Tex), Suzie, Vera, Hes (X Raimond Dufour) en Beppo (X Sientje van der Bergen en X Ank Cannegieter).

De landelijke Hattemse tak van Jan van Hall en Hester B. was met zijn huwelijken veel internationaler. Zij kregen Freddie, John (X Jeanne Boeseken), Maurits (X Elsa Davis, Noors/Amerikaans), Hilda (X George Wendland, Duits/USA), Eugen (X Hilda van der Stok en X Lietje Cramer), André (X Lietje Barger), Charles (X Beba Kruger, Argentijns) en Eylard (X Ethelwyn Hawkings, Engels/Zwitsers).

 

Charles Boissevain (NP p. 75) Leidschendam, maart 2011

Eugen Jan Boissevain adventurous man of business

Eugen Boissevain, the son of Charles Boissevain (1842-1927) and Emily Héloïse MacDonnell (1844-1931), was born in Amsterdam on 20th May 1880. Boissevain made his fortune by importing coffee beans from Java. He developed a reputation as a hedonist. Floyd Dell described him as “an adventurous man of business, was in private life a playboy with incredible energy, romantic zest, and imagination.”

A friend, Alyse Powers, argued that Boissevain was “handsome, reckless, mettlesome as a stallion breathing the first morning air, he would laugh at himself, indeed laugh at everything, with a laugh that scattered melancholy as the wind scatters the petals of the fading poppy. He had the gift of the aristocrat and could adapt himself to all circumstances. His blood was testy, adventurous, quixotic, and he faced life as an eagle faces its flight.”

Boissevain was introduced to Inez Milholland by Max Eastman. A leading figure in the women’s suffrage movement, was associated with a group of socialists involved in the production of The Masses journal. This included John ReedFloyd DellCrystal EastmanLouis UntermeyerWilliam WallingArt YoungMichael GoldBoardman RobinsonRobert MinorRandolph BourneDorothy DayMabel DodgeMary Heaton Vorse and Louise Bryant. The couple were married in July 1913.

Inez Milholland was a strong opponent of the First World War had been caused by the imperialist competitive system and that the USA should remain neutral. This was reflected in the fact that the articles and cartoons that appeared in journal attacked the behaviour of both sides in the conflict. In December, 1915, Milholland and other pacifists travelled on Henry Ford’s Peace Ship to Europe.

On her return to the United States she became one of the leaders of the National Women’s Party. The movement’s most popular orator, Milholland was in demand as a speaker at public meetings all over the country. Milholland, who suffered from pernicious anemia, and was warned by her doctor of the dangers of vigorous campaigning. However, she refused to heed this advice and on 22nd October, 1916, she collapsed in the middle of a speech in Los Angeles. She was rushed to hospital but despite repeated blood transfusions she died on 25th November, 1916.

Boissevain remained in Greenwich Village and his friend, Floyd Dell recalls how he was attending a party at the home of Dudley Field Malone and Doris Stevens, when he met Edna St Vincent Millay: “We were all playing charades at Dudley Malone’s and Doris Stevens’s house. Edna Millay was just back from a year in Europe. Eugene and Edna had the part of two lovers in a delicious farcical invention, at once Rabelaisian and romantic. They acted their parts wonderfully-so remarkably, indeed, that it was apparent to us all that it wasn’t just acting. We were having the unusual privilege of seeing a man and a girl fall in love with each other violently and in public, and telling each other so, and doing it very beautifully.”

The couple married in 1923. They lived at a farmhouse they named Steepletop, near Austerlitz. Both were believers in free-love and it was agreed they should have an open marriage. Boissevain managed Millay’s literary career and this included the highly popular readings of her work. In his autobiography, Homecoming (1933), Floyd Dell commented that he had “never heard poetry read so beautifully”.

In 1931 Edna St Vincent Millay published, Fatal Interview (1931) a volume of 52 sonnets in celebration of a recent love affair. Edmund Wilson claimed the book contained some of the greatest poems of the 20th century. Others were more critical preferring the more political material that had appeared in The Buck and the Snow.

Eugen Boissevain died in Boston on 29th August, 1949 of lung cancer. Edna St Vincent Millay was found dead at the bottom of the stairs in Steepletop on 19th October 1950.

 

By John Simkin (john@spartacus-educational.com) free content published by Spartacus Educational