Portretten kinderen Boissevain

Portretten van de kinderen Boissevain met hun moeder en gouvernante in de jaren 1862–1867. Het album waaruit deze portretten afkomstig zijn, staat op het portret van Daan en Kiek tegen de stoel waar Kiek op zit. De foto’s in versierde omlijsting zijn van neven, nichten en tantes.

Haarlokjes van blonde zijde

Daan en Kiek zijn kinderen van Eduard Constantin Boissevain en Emma Nicholls. Eduard en Emma trouwden in 1840 en kregen behalve Daan en Kiek nog negen kinderen. Het gezin woonde op de Keizersgracht 133, vlak bij de Leliegracht. Daar was het kantoor van de Gebroeders Boissevain, commissionairs in effecten. Van dit gezin zijn veel persoonlijke documenten bewaard gebleven. De inhoud daarvan maakt het tot een van de meest romantische archieven die er zijn. Behalve foto’s zijn er heel veel brieven, van Eduard naar Emma (‘aan mijn engel, die ik liefheb als de appel van mijn oog’), van Emma aan Eduard (‘my dear dear beloved Edward’), brieven van de kinderen aan hun vader, vaccinatiebewijzen, doopbewijzen, kasboekjes, gedichten, en haarlokjes: fijne strengetjes van bleekblonde zijde in envelopjes, waarop de naam van het kind en tijdstip van geboorte.

Vluchtelingen uit Frankrijk

Stamvader Lucas Bouyssavy, een wijnboer uit Bergerac, was hugenoot. Het verhaal wil dat hij in 1687 als verstekeling op een schip en verborgen onder de lading van een hooiwagen uit Frankrijk vluchtte. Aangekomen in Amsterdam moest hij een beroep doen op de diaconie van de Waalse kerk. Stapje voor stapje beklommen de Boissevains in Amsterdam de maatschappelijke en sociale ladder. Ze waren aanvankelijk kooplieden en werkten later in de handelsvaart en assurantie. Door het sluiten van de juiste huwelijken raakten zij gelieerd aan families als Van Eeghen en Van Lennep. Ook in de 20ste eeuw komen we Boissevains in het openbare leven tegen. Jan en Mies Boissevain-van Lennep en hun 3 zoons waren actief in het verzet in 1940-1945. In onze tijd is acteur Daniël Boissevain bekend. Zijn overgrootvader Willem is hier als dertienjarige geportretteerd: zijn hand leunt op een stoel.

Spic en span

De stoffen van de jurken glanzen, de plooien zijn keurig gestreken, de stoelen zijn geschuierd, het is allemaal spic en span. Dat is het werk van de diensboden, de ‘booien’. Vanaf 6 uur in de ochtend waren zij aan het stoffen, strijken, schuieren, poetsen en koken. Ze knipten lampen af, wasten in de tobbe en boenden de keukenvloer met soda. Tot in detail schreef Emma op wat zij van het personeel verlangde. Ook voor de theepauze waren er instructies: “neem je boetzelaar (schort) af, wasch je handen en zet je netjes neder”.

 

Bekijk het album in de Archiefbank van het Stadsarchief van de gemeente Amsterdam

Athanase Adolphe Henri Boissevain: bankier die bedrijven en spoorwegen financierde

Athanase Adolphe Henri Boissevain (1843-1921) is de enige zoon van Daniel Boissevain (1804-1878) en Caroline Louise Mollet (1811-1894). Hij huwt in 1865 met Ottoline Henriette Toe Laer (1844-1921) en krijgt 2 kinderen, Daniël Adolphe Boissevain (1866-1916) en Gerardine Boissevain (1868-1931).

Adolphe Boissevain & Co

Hij  richt in 1875 met een Amerikaanse effectenrelatie de firma Adolphe Boissevain & Co op. Deze firma houd zich vooral bezig met twee activiteiten: de introductie van Amerikaanse effecten op de Amsterdamse beurs en de effectenarbitrage tussen Amsterdam, New York en Londen. Effectenarbitrage maakt gebruik van de verschillen in koers van een aandeel of obligatie tussen de verschillende beurzen.

Ter versterking van de positie richt Adolphe, met zijn Amerikaanse relatie Blake Brothers, in 1888 in Londen de firma Blake, Boissevain & Co op. Tezamen vormen de drie firma’s in de drie financiële centra een sterke combinatie. De belangrijkste assistent van Adolphe in de effectenarbitrage is Jan Lodewijk Pierson Sr. die later als firmant in het bedrijf wordt opgenomen. Enkele jaren na het terugtreden van Adolphe is de naam van de firma gewijzigd in Pierson & Co., een voorloper van de huidige investment bank MeesPierson.

Trans-Atlantisch

De basis daarvoor is gelegd door Adolphe, wiens zaken meer en meer trans-Atlantisch worden. Hij bouwt een grote reputatie op in de VS als financier van bedrijven en spoorwegen. Bekend zijn een aantal spoorwegen, o.a. de trans-Canadian Pacific Railway waarvoor hij het geld voor de financiering van de spoorlijn in Europa ophaalt. Aan deze spoorlijn ligt in de provincie Manitoba het naar hem genoemde stadje Boissevain, dat het familiewapen en -devies voert. Ook in West Virginia ligt een klein plaatsje Boissevain, door de bemoeienissen van Adolphe met de Norfolk & Western Railways.

Europa

De invloed van Adolphe reikte overigens nog verder. Zo is hij in Zwitserland betrokken bij de oprichting in 1897 van één der grootste internationale banken: de Schweizerischer Bankverein, nu UBS, waarvan hij nadien nog achttien jaar commissaris is. Aan deze bank is later zijn Londense firma Blake, Boissevain & Co. verkocht. Adolphe reist uiteraard veel. Hij neemt dan bijvoorbeeld op vrijdagavond de nachtboot van Harwich naar Hoek van Holland, brengt het weekend door op zijn landgoed Prins Hendriksoord in Den Dolder en reist zondagavond per boot terug naar Engeland.

Charles Ernest Henri Boissevain: Amsterdamse ammoniakfabrikant

Charles Ernest Henri Boissevain en zijn echtgenote Maria Barbera Boissevain-Pijnappel

Charles Ernest Henri Boissevain (1868-1940), lid van de familie Boissevain, was een Amsterdamse ammoniakfabrikant, om preciezer te zijn, de eigenaar-directeur van NV Ammoniakfabriek Van der Elst & Matthes, dat gevestigd was in het gehucht Driemond, iets ten oosten van Amsterdam tussen de Gaasterplas en Weesp. Hij was daarnaast onder meer bestuurslid bij het Concertgebouw (1897, 1903-1904 en 1915-1931) , gemeenteraadslid te Amsterdam (1905-1907 en 1909-1919), lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland (1910-1918), lid van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst (1910-1917), lid van de Internationale Kamer van Koophandel der Nederlanden in Parijs en directeur van het Algemeen Handelsblad. Zijn vrouw Maria Barbera Pijnappel (1870-1950) was voorzitster van de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht, lid van Provinciale Staten voor de Vrijheidsbond en algemeen voorzitter van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Het echtpaar kreeg tien kinderen, onder wie zes dochters, die beschermd werden opgevoed onder de hoede van een kindermeisje.

‘De zes dochter van Boissevain’ door Thérèse Schwartze (1916). vlnr: Catharina Josphine (Teau), Maria Cornelia (Mary), Helena Catharina (Heentje), Emily Héloïse Boissevain. Voor staan Elisabeth Antonia (Els) en Dieuke Machteld Hilda Boissevain

Therese Schwartze maakte van die zes dochters een magnifiek portret. Ze portretteerde de jonge dames in haar atelier. De meiden, in de leeftijd van zes en negentien jaar, worden weergegeven in een setting met een gordijn, en staande achter een balustrade versierd met een guirlande. Van links naar rechts: in gele jurk Catharine Josephine (Teau) Boissevain (1905-2002), dan Maria Cornelia (Mary) Boissevain (1899-1995), in witte jurk en zwarte strik Elisabeth Antonia (Els) Boissevain (1907-2001), staand erachter Helena Catharina Justina (Heentje) Boissevan (1897-1993), leunend op haar handen Dieuke Machteld Hilda Boissevain (1910-1987) en met hoed Emily Héloïse Boissevain (1903-1968). Het olieverfschilderij is rechthoekig en 146 x 130,5 cm groot. Het was eind 1916 in het openbaar te zien bij de tentoonstelling van leden van de kunstenaarsvereniging Sint Lucas in het Stedelijk Museum Amsterdam. In 1919, na het overlijden van Thérèse Schwartze, werd het schilderij opnieuw in het Stedelijk getoond, bij een overzichtstentoonstelling met 163 van haar werken. Het schilderij was familiebezit tot het in 1990 door Teau Huisken-Boissevain aan het Amsterdam Museum werd geschonken.

Bron: Muizenest

Jean Henrij Guillaume Boissevain: jurist en publicist

Familie Jean Henrij Guillaume Boissevain, zilveren bruiloft in 1868 Wicher, Jean Henri Guillaume, Jelle, Anna Sara Wichers, Willem, Hugo, François, Eduard, Margot en Henri

Jean Henrij Guillaume Boissevain (Amsterdam 30-5-1817 – Arnhem 29-4-1870) is zoon van Henry Jean Boissevain en Aleida Margaretha Reiners. Hij huwde 6-7-1843 met Anna Sara Wichers. Uit dit huwelijk werden, behalve 2 zoons die jong overleden, 7 zoons en 2 dochters geboren.

Boissevain kwam uit een hugenotenfamilie, die zich had toegelegd op de handel en aan het einde van de achttiende eeuw tot welstand was gekomen. Zijn oom Daniel Boissevain en zijn neef GideonJeremie Boissevain waren vooraanstaande kooplieden en reders, en de laatste was al vóór 1848 lid van de Amsterdamse raad. Net als de Van Eeghens en de De Clercqs – aan wie zij waren geparenteerd – behoorden de Boissevains tot de zogeheten ‘tweede coterie’ na de oude Amsterdamse regentenfamilies. Boissevain was het vierde kind uit een gezin van zes kinderen, maar verloor al op vijfjarige leeftijd zijn vader. Vanaf 1836 studeerde hij rechten te Leiden, waar hij op 20 juni 1840 bij prof. H.W. Tydeman promoveerde op een dissertatie over geldlening en rente, De foenore et usuris, secundum Codicis nostri praecepta . Het was echter Thorbecke die op zijn academische vorming en politiek leven de grootste invloed heeft uitgeoefend. Evenals zijn studiegenoot W.H. Dullert, de latere liberale Kamervoorzitter, vestigde hij zich als advocaat te Arnhem.

Bekendheid als ultraliberaal publicist kreeg Boissevain tijdens de beroering rond de leningwet van minister van Financiën F.A. van Hall in februari 1844. Zijn in dat jaar gepubliceerde brochure Wat blijft ons Nederlanders bij de maatregelen der regering te doen over? riep in felle bewoordingen op tot nationale regeneratie en verjonging. De financiële crisis zag Boissevain als symptoom van Nederlands malaise, die primair te wijten was aan de versleten en ondoelmatige staatsinrichting en aan de parasiterende notabelenelite. Alleen een radicale grondwetsherziening en drastische bezuiniging – zo wilde Boissevain onder andere de elf provincies vervangen door vijf departementen en de voornaamste accijnzen en het staande leger afschaffen – zouden het voortbestaan van Nederland als zelfstandige natie kunnen verzekeren. Boissevain was daarmee op dat moment een stuk radicaler dan zijn leermeester Thorbecke.

Kort daarna werd Boissevain medewerker aan De Staatkundige Tooverlantaarn of Utopisch-Politische Snelwagen , een soort maandelijks nevenorgaan (juli 1845 – juni 1846) van de oppositionele Kamper Courant , uitgegeven door K. van Hulst, die al sinds 1840 ijverde voor grondwetsherziening en zich daarbij vooral tot het grote publiek richtte. Het scherpe artikel ‘Kritiek der Troonrede’ van 20 oktober 1845 leidde tot vervolging van Van Hulst, die wegens aantasting van de persoon en het gezag des Konings tot twee jaar gevangenisstraf werd veroordeeld, hoewel zijn verdediger Boissevain tijdens het proces verklaarde zelf het aanstootgevende artikel te hebben geschreven. Van Hulst werd daardoor in de ogen van het publiek een martelaar voor de persvrijheid, te meer daar zijn collega C.A. Thieme, de uitgever van de Arnhemsche Courant , in een soortgelijke zaak door de Hoge Raad enkele dagen eerder was vrijgesproken. Deze drukpersvervolgingen waren van belang, omdat de ministeriële verantwoordelijkheid voor de troonrede in het geding was. Zij gaven aanleiding tot een principiële discussie, waaraan ook Boissevain in 1847 een staatsrechtelijke verhandeling wijdde, Proeve van onderzoek naar den aard der koninklijke onschendbaarheid , na reeds een jaar eerder zijn Pleitredes – waarvoor hij Thorbecke had geconsulteerd – afzonderlijk te hebben uitgegeven.

Vermoedelijk is Boissevain in 1846 of 1847 medewerker geworden van de Arnhemsche Courant , die sinds 1842 onder leiding stond van Thorbeckes vertrouweling N. Olivier. Toen in de zomer van 1848 het Limburgse separatisme oplaaide en de Duitse Bond aanspraak maakte op het hertogdom, trok Boissevain de aandacht met zijn geschrift De Limburgsche kwestie , waarin hij een krachtig pleidooi hield voor afstand van Limburg, zowel om politieke en strategische als om financieel-economische redenen: een dreigende inkomstenbelasting kon op die manier immers worden vermeden en de Nederlandse handel zou profiteren van een betere verstandhouding met Duitsland.

Na 1848 spande Boissevain zich vooral in voor het nieuwe constitutionele bestel door in tien afleveringen Staatsregt van Nederland , verschenen tussen 1850 en 1864, de grondwet en de voornaamste organieke wetten, zoals de kieswet en de gemeentewet, voor het publiek uit te leggen en toegankelijk te maken. Daarnaast was hij de drijvende kracht achter de in augustus 1850 opgerichte Vrijzinnige Kiezers-Vereeniging, die in Arnhem het politieke leven beheerste, al werden de liberalen bij de kamerverkiezingen tot 1866 steevast overstemd door de behoudende en protestantse kiezers van de Veluwe. Voor de buitendistricten was een man als Boissevain, die onder zijn vrienden ‘de Booze’ of ‘Satan’ werd genoemd, volstrekt onaanvaardbaar, zoals bleek bij de tussentijdse verkiezing van 1849, toen hij kansloos werd verslagen door E.W. van Dam van Isselt.

Sinds 1854 was Boissevain hoofdredacteur van de Arnhemsche Courant . Deze was na de val van het ministerie-Thorbecke ten gevolge van de Aprilbeweging in 1853 met financiële steun van de belangrijkste liberale voormannen gereorganiseerd. Daarbij had D.A. Thieme de zakelijke leiding in handen gekregen en waren de kamerleden Dullert en J.P.P. van Zuylen van Nijevelt als toezichthouders aangewezen. Ook schreef Boissevain de hoofdartikelen in De IJsselbode , een in Deventer, Zwolle, Zutphen en Apeldoorn verschijnende periodiek, die door zijn lage prijs een breed publiek bereikte. Na het ter ziele gaan van het thorbeckiaanse blad De Grondwet in 1855 fungeerde de Arnhemsche Courant als hoofdorgaan van de ‘constitutionele partij’. Omstreeks 1860 is de hoofdredactie overgegaan op W.C.D. Olivier, vermoedelijk omdat Boissevain tijdens de formatie van het gematigd-liberale ‘fusie’-kabinet-Rochussen-Van Bosse in maart 1858 niet adequaat had gereageerd. Daarmee was Boissevains landelijke rol uitgespeeld. Wel bleef hij een sleutelfiguur in de Arnhemse politiek: in 1860 werd hij in de Provinciale Staten van Gelderland gekozen en in 1867 in de gemeenteraad. Sinds juni 1852 was hij bovendien secretaris van de Arnhemse Kamer van Koophandel en Fabrieken. Deze functies oefende hij uit tot zijn dood in 1870.

Boissevain was een onverschrokken voorvechter van de liberale zaak vóór en na 1848, die veel heeft bijgedragen tot de verbreiding van liberale denkbeelden onder een breed publiek en met grote energie de praktische organisatie van het liberalisme op plaatselijk niveau ter hand nam. Hij was daarmee een van de belangrijkste figuren op het tweede plan, die van zo grote betekenis zijn geweest voor het wortel schieten van het liberale bestel van 1848

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: Het regerings-ontwerp van gewijzigde Grondwet, vergeleken met het ontwerp der commissie en de bestaande Grondwet… (1 aflevering verschenen; Tiel, 1848); Wat is plaatselijke belasting? (Tiel, 1852); De wet op de onteigening ten algemeenen nutte van den 28 Augustus 1851, in hare beginselen en strekking toegelicht (Arnhem, 1853); De gids voor de provinciale en plaatselijke besturen. Tijdschrift voor het staatsregt in Nederland (2 jaargangen verschenen; Tiel, 1853).

L: W.P. Sautijn Kluit, ‘De Staatkundige Tooverlantaarn of Utopisch-Politische Snelwagen’, in De Nederlandsche Spectator 28 (1883) 238-240, 247-249, 252-253, 264-265, 270-271 en 279-281; idem, Arnhemsche Couranten[Bijdragen tot de geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel V, 1] (Amsterdam, 1892); Ch. Boissevain, Onze voortrekkers. De geschiedenis van eenige leden der familie Boissevain (Amsterdam, 1906) 437-439; M.A. Kok en Carina Scheffers-van Lingen, ‘De belangrijkste personen achter de Arnhemsche Courant in de jaren 1837-1850…’, in G.A.M. Beekelaar [e.a.], in Maar wat is het toch voor eene courant? De Arnhemsche? Opstellen over de Arnhemsche Courant 1830-1850 (Arnhem, 1981) 298-303.

Auteur: J.H. von Santen

Overgenomen van: Resources Huygens ING

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013

De vriendschappen van Mia Boissevain

De jongste van de gezusters Boissevain waar ik een groepsbiografie over schrijf, is Mia Boissevain(1878-1959). Als dochter van de steenrijke Jan Boissevain en Petronella Brugmans was zij onderdeel van het Amsterdamse patriciaat. Mia ontwikkelde zich tot een vrijgevochten vrouw. Na het behalen van haar proefschrift in de Biologie, sloot zij zich aan bij de vrouwenbeweging. In haar keuzes werd zij gedreven door een gevoel voor moderne rechtvaardigheid en het traditionele liefdadigheid vanuit standsbesef. Geconfronteerd met de Eerste Wereldoorlog, zette Mia zich in voor de Amsterdammers en de Belgen. In deze blog kun je een voorproefje lezen van haar verhaal.

Door: Esmeralda Tijhoff

Mia Boissevain voelde zich aangetrokken tot de wetenschappen en kon als een van de eersten vrouwen Plant- en Dierkunde studeren in Amsterdam. Daar heeft zij colleges gevolgd bij Hugo de Vries en werkte ze samen met Max Weber en Anna Weber-van Bosse en Carel Ph. Sluiter. De Webers hadden de gewoonte studenten uit te nodigen op hun buitenhuis, Huize Eerbeek, waar zij beiden eigen laboratoria hadden opgesteld. Mia was daar een graag geziene gast. Zij was ook degene die de specimina van de Siboga-expeditie van Weber conserveerde.

Wegens achterblijvende emancipatie in Nederland vertrok Mia met haar vakgenoot en vriendin Anna de Bruijn voor haar promotieonderzoek naar Zürich. Ze raakte daar bevriend met haar collega Emily Arnesen, die actief was voor vrouwenkiesrecht. Later tijdens een studie in Münster leerde Mia ook Doris Livingstone MacKinnon goed kennen. MacKinnon begon in Londen een protozoölogisch centrum en kon Mia dus weer aan uitstekende Londense contacten helpen. Met Marie Anne van Herwerden werkte ze in de zomers op het Zoologisch Statin in Den Helder.

Wellicht waren het deze vooruitstrevende vrouwen die maakten dat Mia terug in Nederland bij Aletta Jacob aan de deurbel trok. Jacobs zette haar in de vaart van de vrouwenbeweging. Mia ontwikkelde vervolgens een hechte vriendschap met Rosa Manus met wie zij samenwerkte op de derde internationale congres van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht in 1908. Op dat congres werden Mia en Rosa gelanceerd in de wereld van de vrouwenbeweging. Ze ontmoetten er internationale beroemdheden als Carrie Chapman Catt, en de nationale zwaargewichten als Wilhelmina Drucker en Johanna Naber.

Rosa Manus, Carrie Chapman Catt en Mia Boissevain tijdens een bezoek aan de tentoonstelling ‘de Vrouw 1813-1913’.

Rosa en Mia groeiden samen binnen de beweging, zozeer zelfs dat Mia in haar autobiografie bekende haar wetenschappelijke publicaties in 1909 al van minder belang te hebben gevonden dan haar activiteiten voor de vrouwenkwestie. Haar aanstekelijke enthousiasme en haar toegang tot het familienetwerk van het Amsterdamse patriciaat opende vele deuren. Mia zette samen met Rosa Manus allereerst een propaganda afdeling op voor de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK). Niet gek als je bedenkt dat Mia op de Gouden Meisjesschool, een middelbare school voor meisjes, al een schoolkrant had gerund. Via dit werk kwamen Mia in het hart van de vrouwenbeweging terecht. Mia bleef tot 1912 voorzitter van deze commissie.

Mia’s grootste moment was de organisatie van de Tentoonstelling De Vrouw 1813-1913, die ze samen met Rosa Manus opzette. De tentoonstelling was geïnspireerd op de de Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid die Mia met haar moeder in 1898 had bezocht. Mia wilde via iets soortgelijks de emancipatie van de vrouw in het jubileumjaar 1913 (100 jaar onafhankelijk van de Franse overheersing) op de kaart zetten. De tentoonstelling was van een gigantische omvang en een doorslaand succes.

Na de tentoonstelling nam Rosa Manus Mia mee naar London om daar de radicale vrouwenbeweging met eigen ogen te kunnen zien. Volgens Mia was het Rosa die haar  introduceerde bij een reeks interessante mensen. Mia kwam zodoende terecht bij de massabijeenkomst in Hydepark die bruut werd verstoord door een bende mannen, ingehuurd door de anti-vrouwenkiesrecht beweging. Ook zag ze hoe Emmeline Pankhurst werd gearresteerd bij Buckingham Palace. Het netwerk van haar vriendin Rosa was nu ook echt háár netwerk geworden.

Emmeline Pankhurst wordt gearresteerd.

Daarna kwam de Eerste Wereldoorlog en werden Mia en Rosa beiden actief in de vredesbeweging. Mia organiseerde samen met wat hooggeplaatste plaatsgenoten de noodopvang voor Belgische vluchtelingen in Naarden. Samen met Rosa Manus en Aletta Jacobs organiseerden ze ook het Internationaal Congres van Vrouwen. Na de oorlog groeide Rosa Manus door in de vrouwenbeweging en werd een onmisbare organisatorische kracht. Mia steunde de projecten wel, maar nam geen voortrekkersrol meer op zich. Nadat het kiesrecht voor vrouwen in 1919 was overwonnen, nam Mia twee babys in huis waar ze veel plezier aan beleefde. Ze bleef actief als biologe maar heeft geen wetenschappelijk onderzoek meer gedaan.

International Woman Suffrage Alliance in Stockholm,1911. Mia Boissevain is de derde staande van links. Wilhelmina Drucker zit links, Aletta Jacobs zit in het midden.

Rosa kwam af en toe op bezoek om de aangenomen kinderen van Mia en haar prachtige tuin vol stekjes uit verre oorden te bewonderen. Rosa Manus bleef actief, zelfs tijdens de Tweede Wereldoorlog toen zij toch als Jood al in de gevarenzone zat. Zij werd op 16 augustus 1941 gearresteerd en als politiek gevangene naar Scheveningen gebracht. Rosa werd naar het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück, gebracht. Alles wijst erop dat Rosa Manus in maart 1942 in Bernburg werd vergast.

Mia Boissevain was toen allang uit Nederland vertrokken vanwege de astma van één van haar dochters. Eerst woonden ze in Genève waar ook een broer van haar woonde. Daarna trok ze naar Londen waar ze een soort Bed&Breakfast runde voor politici.  Op tachtigjarige leeftijd overleed Mia in Londen.

 

Esmeralda Tijhoff is docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, expertise: Moderne Geschiedenis, Cultuurgeschiedenis, Vrouwengeschiedenis, Biografieën. Op haar website schrijft zij onder meer over geschiedenis en de familie Boissevain.

De netwerken van de familie Boissevain

Charles Boissevain te Leidschendam schreef onderstaand artikel over de geweldige netwerken die zijn voorgeslacht opbouwde doordat Boissevains geregeld trouwden met telgen van andere prominente Amsterdamse families, zoals Van Hall, Van Lennep en Van Eeghen.

Inleiding

In het Museum Van Loon hangt een aantal schilderijen. Het gaat om portretten van bekende Amsterdammers uit de gegoede burgerij, zo rond 1900. Noem hen desgewenst elite of patriciaat. Was er sprake van een netwerk? Het waren mensen uit families die op allerlei manieren met elkaar waren verweven. De families zagen en kenden elkaar van doopplechtigheden, verlovingen, bruiloften en partijen, verjaardagen, begrafenissen en kerkgang. De heren kenden elkaar ook nog van zakelijke contacten – firmanten, de beurs, banken, verzekeringen, scheepvaart en handel, rechtspraak, als stadsbestuurders, via de universiteit, via kranten, tijdschriften, de kunstwereld, de herensociëteit, het studentencorps. Vele personen kenden elkaar ook nog via logeerpartijen, scholen, dans- en andere lessen en andere gedeelde activiteiten, zoals opera-, theater- en concertbezoek. In het onderstaande wordt gekeken in hoeverre de leden van één familie, Boissevain, door huwelijken vermaagschapt waren aan andere families. Allen door domicilie of beroep aan Amsterdam gebonden en afkomstig uit dezelfde kringen. Vermenigvuldig dit overzicht met de namen van alle andere soortgelijke families (en deel door twee) en er zal blijken dat er inderdaad sprake is van één gigantisch netwerk, dat sterk doet denken aan het regentendom in de zeventiende eeuw. En tel daar nog bij op alles wat er op dit gebied in het land allemaal gebeurde buiten Amsterdammers onder elkaar.

Positieve resultaten

En voor wie daar bezwaar tegen zou hebben: zonder deze netwerken en hun bijdragen in geld en inspanning zou het Naardermeer zijn gedempt, er zou geen Vereniging van Natuurmonumenten hebben bestaan en de meeste Hollandse molens zouden zijn afgebroken. Er was nog lang geen Gemeente Universiteit gekomen (1877), en geen Vondelpark, geen Rijksmuseum of Concertgebouw (1888). En duizenden mensen zouden de hulp van allerlei liefdadigheid hebben ontbeerd. Zulke netwerken bestaan nog steeds, maar ze hebben vaak heel andere vormen aangenomen, en zijn zelden in die mate gericht op het heil en het nut van het algemeen. Het voert te ver om daar hier op in te gaan.

De Grachtengordel

De (blanke, protestantse) asielzoekersfamilie Boissevain raakte (wel pas een eeuw na aankomst rond 1700!) in de 19de eeuw verwant aan vele bekende Amsterdamse families. De Boissevains zelf gingen in de negentiende eeuw behoren tot de bekende Amsterdamse families, het Nederlands Patriciaat. Het is altijd leuk om tijdens de familiereünie vanuit een rondvaartboot te zien in welke huizen in de grachtengordel onze voorouders en verwanten hebben gewoond. In het Amsterdamse telefoonboek rond 1893 was Boissevain de derde meest voorkomende naam, na Meijer en De Vries. Maar die waren niet allemaal familie van elkaar, zoals onze voorouders. De leden van al die Amsterdamse families kwamen elkaar overal en voortdurend tegen.

Huwelijken en netwerken

Van een bruiloft komt een bruiloft zegt men wel – en zeker in het Amsterdam van meer dan een eeuw geleden. Er zijn talrijke verbintenissen voortgekomen uit de contacten tussen al die telgen van de Amsterdamse patriciaatsfamilies. Ik noem een aantal Boissevains, met alleen hun voornaam(vet), hun geboortejaar (vnl. in de 19de eeuw) en verwijzing naar de blz. (p. xy) van het Nederlands Patriciaat (NP) 1988. Velen zullen de achternamen van een aantal huwelijkspartners herkennen. Ik volg de bladzijden van het NP boekje en beperk me tot min of meer (door geboorte, familie of verblijf) Amsterdamse (vetgedrukte) achternamen. (s. o. & e.)

Jeanne M. (1798, p. 46) X Hendrik D. Gildemeester (1797)

Caroline Ch. (1799, p. 46) X Willem de Clercq (1795)

Marguerite E. (1801, p. 46) X Jacques E. Pauly (1793) en X Johannes Bosscha) (1797).

Charlotte J.S. (1811, p. 47) X Stephanus de Clercq (1805).

Gideon J. (1796, p. 48) X A. E. Klijn, X J. van Walree (1804) en X Maria van Heukelom (1801).

Annette J.H. (1835, p. 48) X Hendrik L. Kruseman (1831).

Hester (1842, p. 49) X Nicolaas J. den Tex ((1836)(p. 450 – 468).

Jan (1836, p. 52) X Nella (P.G.J.) Brugmans (1838).

Elisabeth A. (1864, p. 53) X Johannes H. Gunning (1859).

Anna Maria (1872, p. 54) X Gi(deon M.) den Tex (1870, p. 462).

Jan (1895, p. 55) X Mies (A.M.) van Lennep (1896).

Walrave (1876, p. 59) X Maria C.J. Blijdenstein (1876) en X Romé (R.A.) Kalff (1887).

Maria (1869, p. 67) X Cornelis van Eeghen (1861).

Hilda (H.G.) (1877, p. 68) X Han de Booij (1867).

Teau (C.J.) (1885, p. 69) X Lieven Ferdinand de Beaufort (1879).

Charles E.H. (1868, p. 69) X Marie B. Pijnappel (1870).

Menso (1892, p. 72) X Lies (J.E.) Uijt den Bogaard (1898).

Bob (R.L.) (1895, p. 74) X Sonia (H.S.) van Tienhoven (1900).

Alfred G. (1870, p. 77) X M.A. Hooglandt (1875).

Olga E. (1902, p. 77) X Herman J. van Lennep (1899).

Theo(dora) J. (1901, p. 79) X Willem F. Sillem (1895).

Gideon M. (1837, p. 88) X Louise C. toe Laer (1837).

Caroline A.A.S. (1868, p. 89) X Gideon S. de Clercq (1862).

Rutger J.G. (1870, p. 90) X Sybille F.F.M. Wilson (1875).

Edouard C. (1841, p. 91) X M.C. Calkoen (1838).

Athanase A.H. (1843, p. 93) X Ottoline H. toe Laer (1844).

Gerardine (1868, p. 93) X Gerrit van der Aa (1864).

Eleonore D. (1885, p. 98) X Gerrit van der Aa (!864).

Georg D.M. (1868, p. 98) X Jeanne D.E.M. van der Aa (1869).

Louise A. (1881, p. 101) X Matthijs Rasen (1882).

Alice H. (1887, p. 101) X Rommert Andriesse (1866).

Charles Faber (1806, p. 102) X Hester Kooy (1819).

Johanna M. (1849, p. 102) X Adriaan A.M. Boon Hartsinck (1849).

Henriëtte M. (1844, p. 106) X Gulian D. Crommelin (1846).

Constance (1851, p. 106) X Johannes W. Lelij (1852).

Georgina M. (1853, p. 106) X Johannes W. Lelij (1852).

Florence H. (1874, p. 107) X Johan C. van Notten (1872).

Cecilia L. (1875, p. 108) X Marinus Crommelin (1882).

Ursul Philip (1855, p. 130) X Wilhelmina C. Momma (1859).

Auguste Ch.H. (1864, p. 144) X Maria A. Advocaat (1871).

Veel groter netwerk

Al die families, en vele andere, hadden allemaal weer hun eigen netwerken. (Zie bijv. de biografie over Willem de Clercq, evenals zijn broer getrouwd met een Boissevaindochter). Bovendien was Nederland veel groter dan alleen Amsterdam. Anders dan nu hielden alle familiale, zakelijke en sociale contacten hen bij elkaar. Laten we wel bedenken wat een geweldige invloed ten goede dit “ons kent ons” ook heeft gehad. Zo was er in 1888 en later veel geld en betrokkenheid nodig voor de bouw van het Concertgebouw, de uitbreiding van het orkest, het aantrekken van dirigenten, solisten en componisten en het besturen van dit alles. De verwantschap maakte het mogelijk dat de nodige middelen er kwamen, telkens weer.

Alleen al deze paar gegevens over één familie in één plaats in één eeuw maken duidelijk hoezeer Amsterdam en Nederland vooral vroeger maar soms nu nog aan elkaar heeft gehangen en nog hangt van onzichtbare netwerken. Tegenwoordig spelen allerlei andere netwerken een veel grotere rol. Netwerken van bedrijfsleven, besturen, beroepen, studie, politiek, godsdienst, clubs en verenigingen, internet enz. enz.

Dubbel netwerk

De aandachtige lezer mist in het bovenstaande overzicht twee ‘grote’ netwerk- maar ook liefdes-huwelijken. Met veel pracht en praal gevierd tussen twee nichtjes Boissevain met twee broers Van Hall. Nella Boissevain (P.J.) (1873, p. 54) 1896 X Aat (A.F.) van Hall (1870) en haar volle nicht Hester Boissevain (1873, p. 68) 1895 X (Aats oudere broer) Jan van Hall (1866). Velen van de thans oudste generatie Boissevains herinneren zich nog deze echtparen en hun (halve Boissevain) kinderen.

De grootstedelijke Amsterdamse tak Aat van Hall en Nel B. kregen achtereenvolgens Nelleke (X René de Monchy), Dea, Mia (X Frans van Oyen en X Wiete Hopperus Buma), Floor (X Olga Heldring), Gijs (X Emmy Nijhoff), Wally (X Tilly den Tex), Suzie, Vera, Hes (X Raimond Dufour) en Beppo (X Sientje van der Bergen en X Ank Cannegieter).

De landelijke Hattemse tak van Jan van Hall en Hester B. was met zijn huwelijken veel internationaler. Zij kregen Freddie, John (X Jeanne Boeseken), Maurits (X Elsa Davis, Noors/Amerikaans), Hilda (X George Wendland, Duits/USA), Eugen (X Hilda van der Stok en X Lietje Cramer), André (X Lietje Barger), Charles (X Beba Kruger, Argentijns) en Eylard (X Ethelwyn Hawkings, Engels/Zwitsers).

 

Charles Boissevain (NP p. 75) Leidschendam, maart 2011

Zie ook: Publicatie  Stamboom van de familie Boissevain

Eugen Jan Boissevain adventurous man of business

Eugen Boissevain, the son of Charles Boissevain (1842-1927) and Emily Héloïse MacDonnell (1844-1931), was born in Amsterdam on 20th May 1880. Boissevain made his fortune by importing coffee beans from Java. He developed a reputation as a hedonist. Floyd Dell described him as “an adventurous man of business, was in private life a playboy with incredible energy, romantic zest, and imagination.”

A friend, Alyse Powers, argued that Boissevain was “handsome, reckless, mettlesome as a stallion breathing the first morning air, he would laugh at himself, indeed laugh at everything, with a laugh that scattered melancholy as the wind scatters the petals of the fading poppy. He had the gift of the aristocrat and could adapt himself to all circumstances. His blood was testy, adventurous, quixotic, and he faced life as an eagle faces its flight.”

Boissevain was introduced to Inez Milholland by Max Eastman. A leading figure in the women’s suffrage movement, was associated with a group of socialists involved in the production of The Masses journal. This included John ReedFloyd DellCrystal EastmanLouis UntermeyerWilliam WallingArt YoungMichael GoldBoardman RobinsonRobert MinorRandolph BourneDorothy DayMabel DodgeMary Heaton Vorse and Louise Bryant. The couple were married in July 1913.

Inez Milholland was a strong opponent of the First World War had been caused by the imperialist competitive system and that the USA should remain neutral. This was reflected in the fact that the articles and cartoons that appeared in journal attacked the behaviour of both sides in the conflict. In December, 1915, Milholland and other pacifists travelled on Henry Ford’s Peace Ship to Europe.

On her return to the United States she became one of the leaders of the National Women’s Party. The movement’s most popular orator, Milholland was in demand as a speaker at public meetings all over the country. Milholland, who suffered from pernicious anemia, and was warned by her doctor of the dangers of vigorous campaigning. However, she refused to heed this advice and on 22nd October, 1916, she collapsed in the middle of a speech in Los Angeles. She was rushed to hospital but despite repeated blood transfusions she died on 25th November, 1916.

Boissevain remained in Greenwich Village and his friend, Floyd Dell recalls how he was attending a party at the home of Dudley Field Malone and Doris Stevens, when he met Edna St Vincent Millay: “We were all playing charades at Dudley Malone’s and Doris Stevens’s house. Edna Millay was just back from a year in Europe. Eugene and Edna had the part of two lovers in a delicious farcical invention, at once Rabelaisian and romantic. They acted their parts wonderfully-so remarkably, indeed, that it was apparent to us all that it wasn’t just acting. We were having the unusual privilege of seeing a man and a girl fall in love with each other violently and in public, and telling each other so, and doing it very beautifully.”

The couple married in 1923. They lived at a farmhouse they named Steepletop, near Austerlitz. Both were believers in free-love and it was agreed they should have an open marriage. Boissevain managed Millay’s literary career and this included the highly popular readings of her work. In his autobiography, Homecoming (1933), Floyd Dell commented that he had “never heard poetry read so beautifully”.

In 1931 Edna St Vincent Millay published, Fatal Interview (1931) a volume of 52 sonnets in celebration of a recent love affair. Edmund Wilson claimed the book contained some of the greatest poems of the 20th century. Others were more critical preferring the more political material that had appeared in The Buck and the Snow.

Eugen Boissevain died in Boston on 29th August, 1949 of lung cancer. Edna St Vincent Millay was found dead at the bottom of the stairs in Steepletop on 19th October 1950.

 

By John Simkin (john@spartacus-educational.com) free content published by Spartacus Educational