Van Hall en Boissevain in Oorlogstijd

Nel van Hall-Boissevain met haar gezin

Gijsbert (Gijs) van Hall en zijn broertje Walraven (Wally) van Hall zijn de bekendste nakomelingen onder de tien kinderen van Nel van Hall-Boissevain en haar man Aat van Hall. Zij waren de financierders van het verzet in de Tweede Wereldoorlog.  Maar zij  waren niet de enige die naam had gemaakt in het verzet. Binnen de familie Boissevain en Van Hall was de dadendrang groot. Jonge mannen en vrouwen droegen hun steentje bij, en vele van hen moesten dat met de dood betalen. Reden genoeg om deze families eens uit te lichtten.

Door: Esmeralda Tijhoff

Tijdens een van de bijeenkomsten van de Onderzoeksschool Politieke Geschiedenis liep ik Dirk Wolthekker tegen het lijf. Deze beste man bleek een biografie te schrijven over Gijs van Hall, één van de zoons van Nel van Hall-Boissevain waar ik zelf een biografie over schrijf. Op 6 juni promoveert hij op dit boek Alleen omdat ik een Van Hall ben. In de dissertatie analyseert Wolthekker waarom Gijs van Hall als burgemeester van Amsterdam moest aftreden. In mijn biografie over zijn moeder Nel van Hall ben ik Gijs vooral tegengekomen vanuit zijn verzetswerk. En omdat ik veel moet schrappen zodat mijn dissertatie een handzaam formaat krijgt, leek het me wel aardig de stukken over de Tweede Wereldoorlog en de Boissevains op mijn blog te publiceren.

Wally van Hall

Gijs en Wally

De Tweede Wereldoorlog trok een grote wissel op het gezin van Aat en Nel van Hall-Boissevain. Hun twee zonen Gijs en Wally waren vooraanstaande verzetsmensen die met hun netwerk en kennis van de financiële wereld op grote schaal fraude wisten te plegen om zodoende financiële middelen vrij te krijgen om het verzet te financieren. Aat en Nel wisten dat hun zonen actief in het verzet waren, dat kon ook niet anders want het tweetal moest al snel onderduiken. Overigens zaten in hun eigen huis Zonnehof af en toe ook mensen ondergedoken. De diepe donkere kast naast de kamer van dochter Mia had een raampje en was daarmee zeer geschikt om mensen in te verbergen. Aat adviseerde Gijs en Wally, en was ook wel eens aanwezig op vergaderingen van het Nationaal Steunfonds.[1] Zijn reputatie in de bankwereld gaf zijn zonen de nodige credenties. Men vertrouwde Aat, dus vertrouwden ze erop dat zijn zonen ook geen ‘ontoelaatbare trucs’ zouden doen. Gijs van Hall zei daarover: ‘Wie hèm kende, kende òns.’[2] Het was deze reputatie die voor de zoons de weg vrij maakte om met medewerking van enkele bankiers grootschalige fraude te plegen ten bate van het verzet.

Naarmate de oorlog duurde en de verzetsactiviteiten toenamen, werden de risico’s op ontdekking, deportatie en moord ook groter. Het was duidelijk dat de Duitsers Wally zochten, en als zijn moeder Nel daar al in ontkenning over was geweest, dan zal dat bij de inval in zijn woning in Zaandam in 1944 wel zijn opgehelderd. Wally was gelukkig niet thuis en zijn echtgenote Tilly van Hall-den Tex kon met een truc wat illegale krantjes die in het huis waren in de afvoer van de wc verstoppen.[3] De Duitsers vingen bot. Maar op 27 januari 1944 konden ze Wally toch arresteren. Aanvankelijk was er nog hoop dat de Duitsers hem niet zouden kunnen identificeren als de heer Van Tuyl, de naam waaronder Wally in het verzet opereerde. Maar een medegevangene verried wie hij was.

Op zijn verjaardag van 10 februari zat hij in een donkere cel, met in de cel naast zich zijn vriend en verzetskameraad Jaap Buijs. Op 12 februari werd hij met nog zeven andere gevangen in Haarlem-Noord doodgeschoten. Zijn lichaam werd in de Kennemerduinen begraven, waar inmiddels ook Louis, Gi en Janka Boissevain lagen. Tilly dook met haar kinderen onder. Gelukkig lieten de Duitsers hen met rust zodat ze weer terug konden gaan naar hun huis aan de Westzijde 42. Een dag na de moord, 13 februari, hoorde de familie Van Hall wat er was gebeurd.[4]

‘Lieve Mia, Nu krijg je een verslag van de moordpartijen in Amsterdam’

Nel van Hall-Boissevain verloor haar zoon, maar wellicht nog erger vond zij het, dat de jonge kinderen van Wally en Tilly van Hall-den Tex hun vader kwijt waren geraakt. Daarom verzocht zij vrienden van Wally om haar een brief te sturen met hun gedachten over Wally. Deze liet zij samen bundelen met als simpele titel: Walraven van Hall. 10 februari 1906-12 februari 1945. Haar idee was dat de kinderen van Wally door deze brieven altijd zouden weten wie hun vader was geweest en wat hij had gedaan.

Vanuit het oogpunt van hun moeder Nel van Hall-Boissevain is het belangrijk te benadrukken dat zij weet had van het verzetswerk van haar kinderen en andere verwanten, dat zij de risico’s en de gruwelijkheden van de mogelijke gevolgen kende. Haar zonen zaten ondergedoken en liepen continue gevaar opgepakt en vermoord te worden. Nel zag de verschrikkingen van de oorlog met eigen ogen en stond achter de beslissing van haar kinderen om zich te organiseren tegen het onrecht. Op 26 februari 1941 schreef Nel aan haar dochter Mia die toen in Diepenveen bij Deventer woonde: ‘Lieve Mia, Nu krijg je een verslag van de moordpartijen in Amsterdam.’[6] Wat volgde was een relaas over de gebeurtenissen van de Februaristaking.

Nel beschreef hoe de Weerbaarheidsafdeling (WA) de Jodenbuurt waren binnengedrongen en daar mensen hadden mishandeld. De brief toont dat zij goed op de hoogte was van de grote lijnen en van kleine getuigenissen van de aanvallen. Zij beschreef zowel hoe de buurt werd afgezet met prikkeldraad en hoe er 600 joodse mensen met overvalwagens werden opgepakt, maar ook hoe dit alles op individueel niveau uitpakte:

‘bv. een dood verschrikt vrouwtje die alleen in haar winkel zat zeide een Kadijker: ga jij maar in je achterkamer, ik houd je winkel en toen WA’s binnendrongen had hij een betonnen paal als wandelstok en gaf ze van katoen maar toen kwamen ’s avonds de WA onder geleide van de grüne polizei (Gestapo) en mocht de politie niets doen’

De stakingen die volgden werden door Nel toegejuicht. ‘Wij [de Nederlanders] willen geen Jodenvervolging, dat is nu wel heel duidelijk’ schreef ze Mia. Overal in het land werd gestaakt, ook bij Nel staakten de bakkers en de melkleveranciers; ‘dat kan ons niets schelen zeide iedereen, de Joden hebben het zoo slecht dan willen wij het ook slecht hebben.’[7]

Razzia in Amsterdam

Onderduikers

Gijs en Wally waren niet de enigen uit hun familie die actief waren in het verzet. Hun ouders hadden een veilige plek voor onderduikers. Hun tante Heleen Boissevain herbergde ook enkele neven in haar huis tijdens de oorlog. Als oude dame wonende in haar eentje in een groot huis, vormde zij de ideale verstopplek. Bob en Sonja Boissevain-van Tienhoven hadden vier joodse onderduikers en maakten illegale nieuwskranten wat Bob zijn leven kostte. Ook hun zus Hes van Hall en haar man Raimond Dufour namen een onderduiker in huis. Zij hadden drie jonge kinderen, waarvan hun zoon Beppo nog slechts een baby was. Ondanks het grote risico besloten zij de joodse Bernard Samuel geboren in 1940 onder te laten duiken bij hen.[8] Bernard was bijna even oud als hun middelste kind Raimond junior, zodat Hes en Raimond besloten net te doen alsof Bernard en Raimond jr. een niet-identieke tweeling waren. Met vier kinderen in huis nam Hes de betrouwbare Adri Gorlitz aan als kinderjuffrouw. Bernard overleefde de oorlog en kon in mei 1945 bij zijn vader en broer terug komen. Zijn moeder had de oorlog niet overleefd, zij was opgepakt en in Auschwitz vermoord.

Suzy en Frits van Hall

Anderen gingen het verzet in zoals nicht Suzy van Hall over wie Aat na de dood van zijn broer Anne Maurits voogd was. Zij werkte met haar vriend Gerrit Jan van der Veen samen die de Persoonsbewijzencentrale oprichtte waarvoor op grote schaal documenten werden vervalst. Haar broer Frits van Hall, die ook onder Aats voogdij viel, zat ook in het verzet. Hij was beeldhouwer en mede oprichter van het Kunstenaarsverzet. Na de Februaristaking was hij naar Gijs van Hall toegegaan om financiële steun te vragen voor de stakers en de families van de doodgeschoten stakers. Dit leidde tot de oprichting van het Nationale Steunfonds.[9] Frits werd op transport door de Duitsers neergeschoten in 1944.

Knokploeg CS-6

En het hele gezin van de oudste zoon van Nels broer Karel was actief in het verzet. Jan en Adrienne Minette (Mies) Boissevain-van Lennep hielpen onder andere met de  opgevangen van joodse kinderen. Hun zonen Frans, Jan Karel (Janka), en Gideon Willem waren  in de zomer van 1940 een verzetsgroep / knokploeg, begonnen onder de naam CS-6 van circa 20 mensen groot. Jong en voor niemand bang maakten ze bommen en explosieven om zaken als treinstellen te saboteren.

ni regret du passé, ni peur de l’avenir

Vrijwel de gehele CS-6 groep waaronder ook neef Louis Daniël Boissevain (1922), werd verraden door toedoen van de spion Antonius van der Waals. De jongens Boissevain krasten de familiespreuk in de muur van de binnenplaats te Vught: ‘ni regret du passé, ni peur de l’avenir’.[10] Zij werden op 1 oktober 1943 gefusilleerd in Overveen. Hun vader Jan Boissevain had het grootste gedeelte van de oorlog in kamp Vught doorgebracht, herhaaldelijk ziek van de ondervoeding. Hij overleed op 30 januari 1945 in Kamp Langenstein Zwieberge, waar op 12 april dat jaar ook zijn broer Robert Lucas (1895) die maanden zoek was geweest voor de familie en ook de hogeroedeem beter kende dan hem lief was, de dood vond. Robert had spionage activiteiten voor het verzet had ontwikkeld.[11] Mies Boissevain-van Lennep overleefde ter nauwe nood het kamp Ravensbrück, het kamp waar Suzy van Hall ook terecht was gekomen. Suzy was na Ravensbrück doorgestuurd naar Dachau, waar zij en Mies’ andere zoon Frans in april/mei 1945 konden worden bevrijd.[12]

Wapenopslagplaats CS-6 in de Corellistraat 6. Foto: NIOD

Het gezin van Walrave Boissevain

De kinderen van Nels broer Walrave Boissevain waren ook actief. Romelia Walravina (Roos) kwam als eerste bij het verzet. Haar vader was wethouder en had bedacht dat hijzelf juist daarom niet actief kon worden in het verzet. Hij raadde het Roos ook af, maar toen deze na een ernstig gesprek door wilde zetten, gaf hij haar de vrije hand.[13] Haar zusje Elizabeth (Lies) begon na haar HBS diploma in 1942 ook met hand en span diensten. Toen het bureau Binnenlandse Strijdkrachten (BS) werd opgericht als centraal aanspreekpunt voor de geallieerden werden zij beiden secretaresse bij het centrale kantoor. Ook hun zus Marie Renée Boissevain werd secretaresse voor deze BS.

Lies, Mia, Annemie en hun moeder Romée Boissevain-Kalff werden door de Duitsers gepakt en meegenomen op 30 november 1944.[14] Ze belandden eerst in het Huis van Bewaring II aan de Amstelveenseweg in Amsterdam waar ze allen werden verhoord, dezelfde gevangenis waar ook Hannie Schaft zou komen te zitten in 1945. Daarna werden zij naar de gevangenis in Scheveningen gebracht en vanwaaruit zouden zij op transport naar Westerbork gaan. Wegens een bombardement op het spoor werd dit transport afgelast en de gevangenen weer naar hun cel gebracht.[15] Zondag 6 mei 1945 werd de hele groep vrijgelaten.[16] Hun broer Harry Boissevain was meerdere keren opgepakt, en zat tijdens de bevrijding in een werkkamp. Hij wandelde vervolgens broodmager van Velp naar Enschede, waar zijn echtgenoot Anna Catharina (Ans) van Heek en hun kinderen waren.[17] Onderweg logeerde hij nog bij Heleen Boissevain op de boerderij die ook nog in de lappenmand zat wegens de val tijdens het bombardement.

De moord op Dick van Leeuwen

Neef Dick van Leeuwen werd door een lid van de Landmacht doodgeschoten.[18] Zijn overgrootmoeder Mary van Eeghen-Boissevain, dochter van Charles en Emily Macdonnell, ging hem identificeren. Henri de Booij noteerde deze gebeurtenissen van dichtbij waardoor we een beetje een beeld kunnen krijgen van de verschrikkingen: ‘Ze [Mary] had zich door Korthof, een gewezen tramconducteur, in haar karretje naar het Binnengasthuis doen rijden, waarvoor een uur noodig was. […] Het bleek, dat men zich vergist had en het lijk, dat in het Binnengasthuis was gebracht, van een anderen jongen man was. Zij moest naar het Wilhelmina gasthuis, weder geduwd door Korthof, een langen tocht. Ze werd daar, evenals in het Binnengasthuis, heel vriendelijk ontvangen en gebracht in een gedeelte van het gebouw, dat voor het ontvangen en opbaren van lijken, die op straat worden aangetroffen, op bijzondere wijze is ingericht. Daar zag tante Mary het lichaam van haar geliefden kleinzoon, nog geheel onder het bloed, want het lijk was nog niet vrijgegeven door de politie. Hij had een schot in de kin gehad. Zij knipte een beetje haar van zijn hoofd en heeft dit nu gewasschen.’[19]

Nu zijn we al heel veel namen tegengekomen. En nog is de lijst niet af. Het is ondoenlijk alle verwanten van de gezusters Boissevain te noemen. Ik wil er nog een paar noemen waarvan bekend is dat zij actief waren. Iets verder in de stambomen vinden we nog de verre neef Gideon Jeremie Boissevain (1903-1945), zoon van Ursul Philip en Wilhelmina Carolina Boissevain-Momma. En de echtgenoot van nicht Maria Cornelia (Marie) Boissevain die de dochter was van Charles C.H. Boissevain en Marie Pijnappel.  Marie de Jong-Boissevain kon nog net aan de Japanners ontsnappen naar Amerika, maar Jan Hendrik de Jong werd verscheept naar een concentratiekamp in Thailand en verloor het leven bij de Birmaspoorlijn. Neef Floris van Hall overleed bij de aanleg van de Birma Spoorlijn in 1944. Ook Eduard Veltman, de echtgenoot van Walrave Boissevains dochter Ellegonda Duranda (Gon) Boissevain  kwam om.

Geschiedschrijving

‘En nu blijft geloof hoop en liefde deze drie doch de meeste van deze is de liefde’

Wally’s verzetsactiviteiten zijn uitvoerig beschreven in de biografie van Erik Schaap, Walraven van Hall, Premier van het verzet (1906-19-45). Ook de organisatie waarmee hij en Gijs dit deden, Het Nationaal Steunfonds, kreeg in 1960 een eigen monografie door P. Sanders, Het Nationaal Steun Fonds. Bijdrage tot de geschiedenis van de financiering van het verzet 1941-1945. [20] En nu komt daar dus de biografie van Wolthekker over Gijs van Hall bij. Er is zelfs sprake van een verfilming van hun verzetswerk!

Er zijn nog enkele autobiografische werken na te slaan over deze periode. Lies Land-Boissevain noteerde inRode Letters (2004) haar verhaal. Ter herinnering aan Wally liet Nel van Hall-Boissevain een boekje samenstellen, zodat zijn kinderen later zouden weten wat voor man hun vader was geweest. De bundel Walraven van Hall. 10 februari 1906-12 februari 1945 staat vol met persoonlijke verhalen over Wally.

Biografieën, autobiografieën, monumenten, of herinneringsbundels,… Het schiet allemaal  tekort om het verdriet van de nabestaanden op te vangen. Voor Aat en Nel was de dood van hun zoon Wally onverteerbaar. Op zijn sterfbed dacht Aat nog aan zijn verloren zoon. Hij vroeg zijn dochter Hes om 1 Cor vers 13 voor te lezen als de kinderen bij elkaar waren om afscheid van hem te nemen. Dit vers, ‘En nu blijft geloof hoop en liefde deze drie doch de meeste van deze is de liefde’, staat gegraveerd in het oorlogsmonument dat zes jaar eerder in 1950 was onthuld bij de Jan Gijzenbrug in Haarlem. Op de zijkant staat Wallys naam samen met de zeven anderen die op 12 februari 1945 daar waren gefusilleerd.[20]

 

Esmeralda Tijhoff is docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, expertise: Moderne Geschiedenis, Cultuurgeschiedenis, Vrouwengeschiedenis, Biografieën. Op haar website schrijft zij onder meer over geschiedenis en de familie Boissevain.


Noten

[1] Erik Schaap, 66. Oorspronkelijk uit brief van J. Buijs aan P. Sanders 22 sept 1948.

[2] De Nieuwe Revu 28 april 1973.

[3] Attie van Hall in gesprek met haar kleinzoon. Dit verhaal is tevens licht afwijkend opgenomen in Erik Schaap, 105.

[4] Gijs van Hall, Ervaringen van een Amsterdammer.

[5] Bastiaan van Beveren (21 jaar), Klaas de Boer (32 jaar), Bernardus G.J. Genemans (25 jaar), Walraven van Hall (39 jaar), Ds. Hendrik R. de Jong (33 jaar), Frederik Nieuwenhuijsen (39 jaar), Johannes W. Oudenaller (68 jaar) en Egbert Snijder (32 jaar).

[6] Brief van Nel van Hall-Boissevain aan haar Mia. 26 februari 1941. Privé collectie van Bas ter Haar.

[7] Brief van Nel van Hall-Boissevain aan haar Mia. 26 februari 1941. Privé collectie van Bas ter Haar.

[8Erin scue story, Yad Vashem, the world holocaust remembrance centrum. Op August 20, 2007, nam Yad Vashem het verhaal van Raimond Dufour en Hester Dufour-van Hall op in de Righteous Among the Nations serie.

[9] Erik Schaap, Walraven 49.

[10] Menso Boissevain trof de spreuk aan toen hij er later ook gevangen zat. Dagboek De Booij, document ‘Hoop doet leven’, brief aan zijn zoon Alfred de Booij, 4 tot 9 september 1944, Amsterdam.

[11] https://oorlogsgravenstichting.nl Zie ook ‘De herinnering levend houden’, Boissevain Bulletin 1991.

[12] Erik Schaap, Walraven 90.

[13] Lies Land-Boissevain, Rode Letters (Vision; Groningen 2004).

[14] Brief van Romée aan Mia Boissevain, 12 mei 1945.

[15] Brief van Romée aan Mia Boissevain, 12 mei 1945. Lies Land-Boissevain, Rode Letters (Vision; Groningen 2004).

[16] Aangezien het huis in Amsterdam was leeggehaald, gingen de vrouwen logeren bij Menso en Lies Boissevain. Menso was een zoon van Charles E.P. en Marie Boissevain-Pijnappel.

[17] Brief van Romée Boissevain-Kalff aan Mia Boissevain, 12 mei 1945.

[18] Zoon van Toek van Leeuwen en Emily van Eeghen. Zie voor details Dagboek De Booij, document ‘Hoop doet leven’, brief aan zijn zoon Alfred de Booij, 4 tot 9 september 1944, Amsterdam.

[19] Dagboek De Booij, document ‘Hoop doet leven’, brief aan zijn zoon Alfred de Booij, 4 tot 9 september 1944, Amsterdam. Woensdag 6 september 1944.

[20] Bastiaan van Beveren (21 jaar), Klaas de Boer (32 jaar), Bernardus G.J. Genemans (25 jaar), Walraven van Hall (39 jaar), Ds. Hendrik R. de Jong (33 jaar), Frederik Nieuwenhuijsen (39 jaar), Johannes W. Oudenaller (68 jaar) en Egbert Snijder (32 jaar).

Jeremy Boissevain: Dutch anthropologist

In meroriam Jeremy Fergus Boissevain (1928–2015)

Despite his blessed age, it was a shock to receive the news that Jeremy Boissevain died at his home in Amsterdam on 26 June 2015. Just a few days earlier, he had read with much pleasure and satisfaction a positive review by Michael Herzfeld in the Journal of the Royal Anthropological Institute of his recent collection of “explorations into aspects of some societies in and from the Mediterranean” (Factions, Friends, Feasts. Anthropological Perspectives on the Mediterranean [Berghahn Books, 2013]). He had worked very hard on this volume, which turned out to be his final one.

Jeremy Boissevain was born in London in 1928 of an American mother and a Dutch father. He came to social anthropology by a detour. He completed a BA in Liberal Arts at Haverford College, Pennsylvania in 1952. After spending several years in the Philippines, Japan, India, Malta, and Sicily working for US CARE relief programs, Lawrence Wylie, one of his teachers at Haverford, advised him to take up the study of social anthropology. Jeremy did so at the London School of Economics (LSE) in the late 1950s with Raymond Firth and Lucy Mair. He did one month of fieldwork in Fezzan, Libya in 1959 then moved to nearby Malta where he conducted fourteen months of dissertation research in 1960–1961. This was the beginning of a lifetime commitment to the study of Maltese politics and religion. He received his PhD in 1962; a few years later his dissertation was published as Saints and Fireworks (Athlone Press, 1965).

His early grassroots involvement in aid projects may explain his lifelong interest in local-level politics and his focus on individual agency rather than social structure, pragmatic choice rather than constraint. His two monographs on rural Malta, in which he paid systematic attention to the interactions between village life and wider society, belong to the classics in Mediterranean ethnography and social anthropology. In 1969 his monograph Hal-Farrug: A Village in Malta was published in the prestigious and influential “Case Studies in Cultural Anthropology Series” at Holt, Rhinehart & Winston. After a second edition in 1980, this classic monograph was republished as Hal Kirkop: A Village in Malta by Midsea Books in Malta (2006).

Following his fieldwork in Sicily and Malta, Jeremy became involved in developing a comparative anthropology of the Mediterranean region of which he was a leading advocate in the 1970s and 1980s but about which he had second thoughts at the time he was working on his collection of articles titled Factions, Friends, Feasts.

During his studies at the LSE, Jeremy developed a critical stance towards the paradigm of structural-functionalism that had dominated Anglo-Saxon anthropology between 1930 and 1970. Inspired by his teachers Firth and Mair, as well as by Leach’s book on Highlands Birma, Bailey’s work on politics and social change in Orissa, and Barth’s study of political leadership among the Swat Pathans, he became a prominent advocate of an actor-oriented approach. In his seminal Friends of Friends: Networks, Manipulators and Coalitions (Basil Blackwell, 1974), he set forth a processual perspective on people, groups, quasi-groups, and institutions as interlinking, multi-level networks. Being averse to grand theories, network analysis allowed him to remain close to the small politics of people in their daily interactions. Although he was well aware of the methodological limits this approach, he made a forceful plea to include it in the tool kit of every ethnographer.

Jeremy’s innovative work also includes contributions to the study of local power relations and ethnicity (an early book on Italian immigrants in Montreal and a later study of small entrepreneurship among the Surinamese of Amsterdam), of tourism and environmentalism, mainly with regard to their impact on Maltese society and culture. In the late 1980s and early 1990s he revisited his early interest in ritual and social change by studying the revival and expansion of celebrations throughout Europe as a reaction to the homogenizing pressure of the market, mass media, and Eurocrats (Revitalizing European Rituals [Routledge, 1992]).

Jeremy Boissevain was full professor of social anthropology at the University of Amsterdam where he worked from 1966 to 1993, fellow of the Amsterdam Institute for Social Science Research and sat on the advisory boards of several scholarly journals, among them Journeys: The International Journal of Travel and Travel Writing. He was an enthusiastic traveler himself, an inspiring teacher and supervisor, a prolific writer, and a visiting professor at several universities in Europe and the United States. After his retirement he remained active as participant in academic meetings and always interested in the work of his colleagues and friends. Jeremy was a curious, amiable and convivial personality. He is survived by Inga-Britt, his wife during more than sixty years, four daughters, and seven grandchildren.

Henk Driessen

Radboud University

Nijmegen, Netherlands

Boissevain op het schildersdoek

‘De zes dochter van Boissevain’ door Thérèse Schwartze (1916). vlnr: Catharina Josphine (Teau), Maria Cornelia (Mary), Helena Catharina (Heentje), Emily Héloïse Boissevain. Voor staan Elisabeth Antonia (Els) en Dieuke Machteld Hilda Boissevain

De familie Boissevain liet zich graag vastleggen op het schildersdoek. In 1916 vervaardigde de beroemde Thérèse Schwartze (1851-1918) een groepsportret van de dochters van Charles Boissevain en Maria Pijnappel. Dit prachtige schilderij uit 1916 bevindt zich momenteel in het depot van het Amsterdam Museum.

Door: Esmeralda Tijhoff

In 2011 zag ik het werk voor het eerst. Wat is er te zien, en hoe belandde het doek in het Geheugen van Nederland? Een kleine zoektocht naar de achtergrond en herinnering van een schilderij. Op een dag bezocht ik een prachtig grachtenpand in Amsterdam waar een tentoonstelling gehouden werd met werk van Thérèse Schwartze (1851-1918). Schwartze stond bekend om haar warme portretschilderijen van families uit de rijke bovenlaag. Ze had een vlotte streek, maar zette haar subjecten en hun karakters toch altijd zeer realistisch neer. Schwartze’s stijl viel zo in de smaak, dat zij zelfs leden van het Koninklijk Huis mocht portretteren. In 1896 werd zij als eerste vrouw benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Ik had al van het werk van Schwartze gehoord, en reisde vol goede moed af naar Amsterdam om eindelijk de negentiende-eeuwse Amsterdamse elite via haar schilderijen in de ogen te kijken.

Ik bevond me in het Museum Van Loon, gesitueerd in het patriciërshuis aan de Keizersgracht 672. Binnen kon je een indruk krijgen hoe het huis in de negentiende eeuw gefunctioneerd had. De inrichting was gedaan met meubilair uit diverse eeuwen, en de keuken kon elk moment weer in gebruik worden genomen door een negentiende-eeuwse kok. Aan de muren hingen zoals beloofd grootse schilderijen van het Amsterdams patriciaat. Een perfecte locatie die de sfeer en context van de totstandkoming van de schilderijen kon benaderen. Eén schilderij had mijn aandacht direct gevangen, het is een van Schwartzes laatste grote werken: de zes dochters Boissevain.

Zes jonge vrouwen: een tijdsbeeld

Zes jonge vrouwen van diverse leeftijden kijken de bezoekers vanaf het schilderij zelfbewust aan. Ze leunen over een balustrade, links hangt een dik gordijn. Wellicht moet dit een balkon in een concerthuis voorstellen? Het levensgrote schilderij maakt met zijn 130,5 bij 146 cm behoorlijke indruk. De oudste was Helena Boissevain, ook wel Heentje genoemd, 19 jaar oud. Het jonge meisje over de balustrade was Dieuke, nog maar zes jaar oud.

De meisjes zijn losjes, maar toch redelijk rijkelijk aangekleed. In hun gezichten laat het karakter zich lezen. De kleding is vlug en met grove lijnen neergezet. Ze lijken ruim om de jonge vrouwen te hangen, waarbij de jurken van de oudere meisjes duidelijk zwaarder en rijker waren dan de witte kleden van de jongsten. Heentje draagt een parelmoer, zij is ten slotte al 19 en zal haar debut hebben gemaakt.

Zowel Heentje als Mary Boissevain hebben hun haar opgestoken, de jongere zussen dragen hun lange haren nog los. Lang haar was in die tijd een teken van welvaart en vrouwelijkheid. Lange haren vergde immers veel verzorgingstijd, en het beperkte je bewegingsvrijheid. Kinderen konden hun haren nog los dragen, maar als het kind een vrouw werd, moesten de haren netjes worden opgevlochten en opgestoken.

We zien dus verschillende manieren van de elite in het schilderij terug  om een leeftijdshiërarchie in het gezin aan te brengen. Verschil in haardracht (los versus vast), en verschil in kledingdracht (witte kleden versus volwaardige jurken). Tot slot is er nog het verschil in attributen zoals een halsketting. Het schilderij laat subtiel de welvaart van de dochters Boissevain zien. Dat kon ook anders, zoals dit pronk schilderij van A.G.M. van Ogtrop-Hanlo en haar vijf kinderen uit 1906 laat zien.

Thérèse Schwartze. Portret van A.G.M. van Ogtrop-Hanlo (1871-1944) en haar vijf kinderen. 1906.

Kleinkinderen of dochters van moeder?

Zo stond ik te peinzen bij het schilderij van Schwartze . Maar waren dit ‘mijn’ gezusters Boissevain waar ik momenteel een biografie over schrijf? Helaas stond ik niet tegenover de dochters van Jan Boissevain en Petronella Brugmans. Enkele van de meisjes dragen wel dezelfde namen; er is een Helena, een Elisabeth en natuurlijk een Maria. Maar het zijn namen die in de familie zeer vaak voorkomen. Dit waren de zes dochters van Charles Boissevain.

Aanvankelijk dacht ik dat het ging om Charles Boissevain (1842-1927), de broer van Jan, die heel bekend was omdat hij directeur was van het Algemeen Handelsblad. Niet zo gek dat ik dit dacht, want ook het Geheugen van Nederland rept over ‘de kinderen en kleinkinderen‘ van deze Charles. Maar nadere inspectie liet zien dat het om de kinderen van diens zoon Charles Ernest Henri Boissevain (1868-1940) ging. En weer nadere inspectie gaf blijk dat hun moeder niemand minder dan Maria Barbera Pijnappel (1870-1950) was, de voorzitster van de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht, lid van Provinciale Staten voor de Vrijheidsbond en algemeen voorzitter van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen! Waarom Het Geheugen Van Nederland de meisjes op het schilderij omschrijft als ‘kinderen en kleinkinderen van Charles Boissevain’, de eigenaar van het Algemeen Handelsblad, is mij dan ook een raadsel. Hun opa wordt de verwijzing bij hun schilderij, en niet hun beroemde moeder?

De erfenis van Boissevain

Zoals gezegd heeft de family Boissevain aardig wat opdrachten gegeven aan Thérèse Schwartze. De schilderijen zijn via erfenissen terecht gekomen bij diverse familieleden. Dit schilderij van de zussen is door nazaat Teau Huisken-Boissevain in 1990 aan het Amsterdam Museum werd geschonken (inv.nr. SA 40866).

Van het gezin Boissevain waar ik onderzoek naar doe, zijn ook diverse portretten gemaakt, maar helaas is er geen enkel groepspotret van hen bekend. Van de beide jongste kinderen uit het gezin, Walrave Boissevain en Mia Boissevain, zijn prachtige schilderijen gemaakt die nu in privé bezit bij de familie zijn. Het schilderij van Mia is ook door Schwartze uitgevoerd, een prachtig staand portret waar Mia met een haast koninklijke houding schuin de wereld in kijkt.

Charles Boissevain door Jan Veth

Toch is Schwartze natuurlijk niet de enige schilder geweest die zich ontfermde over de Boissevains. Een schilderij van Jan Veth (1864-1925) is door Jaap Versteegh in 2007 herkend als een portret van (de oude) Charles Boissevain. Veth had Charles geschilderd als onderdeel van zijn serie ‘Bekende Tijdgenoten’, waarvoor hij overigens ook een portret maakte van Schwartze. Charles zelf had ook al eens bij de bekende schilder Willem Witsen gevraagd voor een portret van zijn zoon Alfred Gideon Boissevain (1870-1922).

Alfred Boissevain door Willem Witsen

In 2010 is dit portret in de collectie van het Amsterdams Historisch Museum gekomen. Een klein briefje van Boissevain in 1916 aan Witsen verraadt hoe Charles deze schilder op een voetstuk plaatste: ‘Ik kijk van mijn plaats aan tafel nu steeds op het aangezicht zoo vol expressie van mijn zoon Alfred, dat gij vol leven, gloeiend van kleur en als of wij hem hoorden spreken voor ons hebt afgebeeld. Welk een groot talent is het uwe en wat schildert gij mooi!’ (Willem Witsen, Volledige briefwisseling)

Esmeralda Tijhoff is docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, expertise: Moderne Geschiedenis, Cultuurgeschiedenis, Vrouwengeschiedenis, Biografieën. Op haar website schrijft zij onder meer over geschiedenis en de familie Boissevain.

 

Onderstaand jeugdportret van Hilda Gerarda Boissevain (1877 – 1975) is gemaakt door Jacobus Johannes de Haan. Hij was fotograaf en portretschilder. Hij heeft bijvoorbeeld ook foto’s gemaakt van de koninklijke familie. Dit moet een van zijn eerste werken zijn geweest. Hij was toen 18 jaar (geboren 1868).

Weet u nog schilderijen van leden van de familie Boissevain? Met name ook van het gezin van Jan Boissevain en Petronella Brugmans. Laat het mij weten!

 

De Amsterdamse familie Boissevain

Familiereünie 8 april 2006

Op 2 november 1996 zijn zo’n 100 Boissevains bijeen in het Gemeentearchief voor een ‘familiedag’. Uit de inventaris van het familiearchief, die dan gepresenteerd wordt, blijkt hun veelzijdigheid: reders, bankiers, journalisten, hoogleraren, kunstenaars en gemeentebestuurders. Stamvader Lucas, die in 1687 Frankrijk ontvluchtte, zou ervan hebben opgekeken.

Zo’n 100 jaar geleden behoorden de Boissevains tot de bekendste families van Amsterdam. Het Adresboek van de stad Amsterdam voor de jaren 1896-1897 en het bevolkingsregister bieden een boeiende momentopname. Op Singel 130 woont Willem Boissevain, boven het kantoor van zijn firma Gebr. Boissevain, commissionairs in effecten. Op Keizersgracht 143 vinden we de firma H.J.A. Boissevain & Co., assurantiebezorgers; de weduwe van de naamgever woont erboven, net als de 44-jarige zoon en firmant Louis Daniël Boissevain met zijn gezin. Drie Boissevain-huishoudens wonen buiten de Singelgracht, in de nieuwe elitebuurten. Koopman Jacob Pieter Boissevain, die kantoor houdt op Herengracht 158, bewoont Parkweg (nu Willemsparkweg) 71 en op nummer 88 woont Wibbina Cornelia Boissevain, lerares aan de Middelbare School voor Meisjes. Tesselschadestraat 4 is het adres van Gideon Maria Boissevain (59), bankier en econoom, medeoprichter van de Kas-Vereeniging. Het is nog steeds 1896: veel Boissevains wonen en werken op de prestigieuze Herengracht. Ook de beroemdste Boissevains van hun tijd vinden we hier: Charles en Jan. Op nummer 332 woont Charles (54), al elf jaar hoofdredacteur en sinds kort ook directeur van het Algemeen Handelsblad, de invloedrijkste krant van Nederland. Hij geldt dan ook als de paus van de vaderlandse journalistiek, al vindt de liberaal die titel niet prettig. Als jong verslaggever ontmoette hij op een van zijn expedities zijn Ierse vrouw, Emily MacDonnell. Ze hebben elf kinderen en gelukkig ook een (Engels) kindermeisje, Polly Barker.

Herengracht 368

Broer Jan, “Koopm. en Reeder; Direct, der Stoomv. Maats. Nederland”, woont sinds drie jaar op Herengracht 368. Op 12 december 1896 wordt hij 60 jaar. Zijn vrouw Petronella Brugmans bestiert de vele dienstboden (“een zorg die nimmer ophield,” herinnerde zoon Walrave zich) en het kindermeisje, Annie Barker, de zus van Polly. Nella ontvangt bovendien ’s maandagsmorgens in het souterrain hulpbehoevenden: die geeft ze geld, eten, brandstof, bemoedigingen en vermaningen. Op 368 staat ook mr. M.G.J. Boissevain ingeschre­ven. Dat is zoon Thijs (26), in het ouderlijk huis werkzaam als advocaat. Juist in 1896 richt hij Pro Juventute op, een vereniging die jongeren op het rechte pad wil houden.

Bouyssavy werd Boissevain

Die vooraanstaande positie in het Amsterdam van 1896 hadden de Boissevains niet cadeau gekregen. Ze behoorden immers niet tot het ‘regentenpatriciaat’ bestaande uit families als Bicker, Backer, Boreel, Elias, De Graeff, Huydecoper, Van Lennep, Röell, Six en Trip. Tot de Franse bezetting in 1795 waren zij generaties lang lid van de vroedschap (gemeenteraad) en als zodanig in 1815 door de kersverse koning Willem l in de adelstand verhe­ven. Daarvoor moesten die families aan twee eisen voldoen: ‘aanzienlijk’ (lees: rijk) zijn én Nederduits Hervormd. De Boissevains waren hugenoten, de van oor­sprong Franse calvinisten die in de 17de eeuw hun land ontvluchtten toen de katholieke koningen het protestantisme poogden uit te roeien. De familie woonde oorspronkelijk in Zuidwest Frankrijk. De oudst bekende Bouyssavy, zoals de naam toen nog werd gespeld, was anno 1445 notaris in Périgueux. Een nazaat, Lucas Bouyssavy, vluchtte in 1687 naar Nederland – het verhaal wil als verstekeling op een schip en verborgen onder de lading van een hooi­wagen. De voormalige wijnboer uit Bergerac moest in Nederland een beroep doen op de diaconie van de Waalse kerk. Lucas werd een kundig tekenaar en boekhouder en kon daarmee in zijn onderhoud voorzien. Hij noemde zich Boissavin; later werd dit in officiële stukken Boissevain. In 1700 trouwde hij met de Francaise Marthe Roux en ging met haar in de Korte Leidsedwarsstraat wonen. Stapje voor stapje beklommen zoon Jérémie en kleinzoon Gédéon Jérémie de maatschappelijke ladder, maar de echte opgang begon bij achterkleinzoon Daniel. Daniel (1772-1834) vond zijn echtgenote buiten de kring van réfugiés: in 1795 trouwde hij met Johanna Maria Retemeyer, met wie hij dertien kin­deren kreeg. Kort na het huwelijk overleed schoon­vader Retemeyer en met diens broer nam Daniel de leiding op zich van Retemeyers handel in Franse, Duitse en koloniale goederen. In 1812 begon hij voor zichzelf en stichtte de firma Boissevain & Co. Daniel werd rijk en verwierf aanzienlijke functies, zoals het lidmaatschap van de Kamer van Koophandel. Zijn dagboek biedt een prachtig beeld van het leven van een Amsterdamse koopman aan het begin van de 19de eeuw. Het gaat over de handel en het weer, over de politiek en de beursberichten (waarvan hij soms knorrig wordt). Hij vermeldt de kalfskop die hem zo goed smaakte en de oesters op Oudjaar. Hij houdt van stok- en schelvis en drinkt thee van sassefras met hondsdraf. Op zon­dagmorgen gaat hij naar de Waalse Kerk op de Oudezijds Achterburgwal en ’s middags worden visites afgelegd. Ook wandelt hij graag, langs de Buitenkant (Prins Hendrikkade) of over de Kalfjes­laan. Hij speelt kolf en gaat met vrouw en kinderen naar Felix Meritis om Bilderdijk aan te horen. Daniels schrijfstijl is beknopt en ietwat droog, maar door de veelzijdigheid is het een mooie kroniek, die kleur en diepte geeft aan de tijd waarin hij leefde.

Van koopmanschap naar rederij

In 1816 trad Daniels zoon Gideon Jérémie (1796-1875) toe tot het bedrijf. Deze verlegde met succes het accent naar de handelsvaart en de assurantie. Gideons schoeners voor de Levant en barkschepen voor de grote vaart vertrokken vanaf de Amster­damse kaden. In 1830 trouwde Gideon voor de derde keer; de eerdere echtgenotes overleden kort na hun huwelijk. Hij en Maria van Heukelom kregen zeven kinderen, onder wie zoon Charles die later over zijn jeugd rond 1850 schreef: “Mijn vader was reeder. Elken ochtend, als hij bij het ontbijt binnen­kwam, ging hij uit het venster kijken naar het haan­tje van den Westertoren, want hij was afhankelijk van wind. (…) Onze verbeelding werd geadeld door de zee en nog eens door de zee. En we gingen als jongens met vader naar de overzijde van het IJ, en dan zagen wij, door twintig paarden voortgetroken, langzamerhand het hooge schip, dat zoo donker uitstak boven de groene weiden, aankomen en als men van het dek den patroon zag, dan werd de vlag geheschen en klonk een hoerah uit het want.” Door huwelijken raakte de kinderrijke familie Boissevain gelieerd aan families als Van Eeghen, Van Lennep, Van Hall, Den Tex en Bosscha. De inte­gratie ging snel, ook omdat rijkdom inmiddels min­stens zo belangrijk werd gevonden als een patricische afkomst. Gideon woonde op de Herengracht en ’s zomers op het buiten Duinvliet bij Overveen. Net als zijn vader hield hij een dagboek bij en ook schreef hij reisverhalen, memoires en brieven. Hoe de gegoede burgerij destijds het joodse proletariaat bezag, lezen we in de brief van 9 september 1839, waarin Gideon het bezoek van Willem III aan Amsterdam beschrijft: “Maandag hebben wij den plegtigen intogt gehad van den Erfprins en Erfprinses, alle huizen fraai vercierd, de straten krielende van menschen en ik vrees maar al tezeer het vor­stelijk rijtuig krioelende van vlooijen, want verbeeld u dat het gemeen (wel van ’t minste soort augurke-moussies en zoo al wat) de caliche zoo zeer omringd had dat zij aan de lantaarns hingen, en er een zelf tot vlak over de princes zat, doch gelukkig is alles wel afgeloopen.” Gideons zoon Jan (1836-1904), al genoemd als Herengracht-bewoner, was een innoverend onder­nemer en verlegde zijn activiteiten van de zeil- naar de stoomvaart. In 1870 richtte hij met anderen de Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN) op, voor een snellere verbinding met Nederlandsch-Indië. En in 1888 stond hij aan de wieg van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, die later met de SMN opging in Nedlloyd. Jan was enkele jaren lid van de Amsterdamse gemeenteraad en Provin­ciale Staten. Hij verhoogde zijn status door te trou­wen met een dochter van stadsadvocaat Brug­mans; alleen keek zijn schoonmoeder aanvankelijk neer op “die koopman”.

Liberale dagbladmakers

Jans avontuurlijke broer Charles (1842-1927) was buitenlands correspondent van het Algemeen Han­delsblad en werd in 1881 hoofdredacteur. Hij begon in november 1887 de rubriek ‘Van dag tot dag’ en wist die ruim 30 jaar vol te houden. Volgens pershistorici introduceerde Charles hiermee het hoofd­redactionele commentaar in de Nederlandse jour­nalistiek, al is die rubriek ook als column te typeren. Charles polemiseerde met de gereformeerde politi­cus Abraham Kuyper (tevens hoofdredacteur van De Standaard) en steunde door dik en dun de Zuid-Afrikaanse Boeren tegen de Engelse kolonisatoren. Ook schreef hij over ‘Het Hollandsche strand’ en ‘Het roekeloos rijden der wielrijders’ – met veel begrip voor die waaghalzen, want zelf schafte hij al rond 1870 een vélocipède aan!

Charles Boissevain (1842-1927)

Charles was op en top een liberaal. Het vrije ondernemerschap ging boven alles, maar de ‘Oranjefurie’ tegen de socialisten in 1887 keurde hij scherp af. Anders dan zijn vader moest hij niets hebben van antisemitisme. Het ontslag van de joodse officier Alfred Dreyfus in Frankrijk vond hij een schande en in 1898 interviewde hij als eerste Nederlander Émile Zola, romancier en Dreyfus’ wel­sprekende verdediger. Daarentegen veroordeelde hij het opkomend socialisme. De linkse journalist Henri Wiessing, van 1907 tot 1915 hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, kenschetste Char­les als “de zelfvoldane opperliberaal van die dagen” die “op basis van een wel zorgvuldig maar tweede­rangs schrijftalent en een inhalige geest, zonder schroom zichzelf en zijn hele familie naar de voor­grond drong”. De krant zetelde in twee oude herenhuizen op de Nieuwezijds Voorburgwal bij de Paleisstraat. Jour­nalist David Kouwenaar schreef: “De benedengang van het Handelsblad was zo smal, dat twee personen elkaar nauwelijks konden passeren. De volle, iet­wat schommelende gestalte van Charles vulde de gang vrijwel geheel.” Begrijpelijk dat Boissevain door architect Eduard Cuypers hier een groot, modern pand liet bouwen, dat in 1903 gereed was. Vijf jaar later gaf Charles het hoofdredacteurschap door aan zoon Alfred Gideon (1870-1922), die in 1916 ook het directeurschap overnam. Wiessing beschreef hem boosaardig als “een zeker niet onaardig marineofficier, die echter op journalistiek en met name politiek gebied van toeten noch bla­zen wist, zelfs geen behoorlijke brief kon schrijven, en desondanks nu en dan in eigen persoon een hoofdartikel ging brouwen, wat de hele redactiestaf de schrik op het lijf joeg!”

De feministische traditie

Het is ondoenlijk alle verdienstelijke Boissevains hier aan bod te laten komen. Wel valt er een ‘sorte­ring’ te maken naar werkterrein en belangstellings­sfeer. Begin deze eeuw raakten enkele Boissevains in de ban van de theosofie, toen min of meer een religieuze rage. Een dochter van Charles, Maria van Eeghen-Boissevain (1869-1959) stelde de bewe­ging in 1924 zelfs haar landgoed bij Valkeveen ter beschikking. Belangrijker is de feministische traditie, ingezet door Maria (1878-1959), de jongste dochter van Jan en Nella. Mia zoals ze genoemd werd, kwam met de vrouwenbeweging in aanraking tijdens haar studie biologie in Zürich, waar ze de doctorsgraad behaalde. Terug in Nederland besloot ze kennis te gaan maken met de roemruchte Aletta Jacobs. “Toen ik daar op de stoep stond en de bel luid klin­gelde, keek ik verschrikt naar rechts en naar links of iemand mij ook gezien had. Ik was bang dat men mij zou verdenken voor een illegale operatie daar op bezoek te gaan. Het was nl. ongelofelijk zoals er gelasterd werd in alle mogelijke kringen, de pro­fessorale vooral niet uitgezonderd, over deze eerste Nederlandsche doctores, ’t Is waar, ze was een groot voorstandster van kinderbeperking; een tijd lang had de z.g. vrije liefde ook haar sympathie gehad en dit was genoeg om haar bij de conventioneele menschen onmogelijk te maken.” Jacobs betrok Mia Boissevain bij de geruchtmakende ten­toonstelling ‘De vrouw 1813-1913’, op het land­goed Meerhuizen aan de Amsteldijk. Daarbij werkte ze samen met feministische kopstukken als Wilhelmina Drucker, Rosa Manus en Johanna Naber, die lang niet zo eng waren als gedacht.

Maria (Mia) Boissevain (1878-1959)

Charles’ zoon Charles Ernst Henri (1868-1940) was getrouwd met Maria Pijnappel (1870-1950) en zij bracht het tot voorzitster van de Bond voor Vrouwenkiesrecht. Ook Mies Boissevain-van Len­nep werd een vurig feministe. Zij was getrouwd met Jan (1895-1945), een zoon van Charles Daniël Walrave. In de jaren dertig voerde ze actie tegen het arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen. Na de oorlog richt­te ze de vrouwenpartij Practisch Beleid op, die ech­ter de kiesdrempel niet haalde. Een andere idealistische stroming die weerklank vond bij de familie Boissevain was de Montessori-beweging. Romelia Abramina Kalff, de tweede vrouw van Walrave Bois­sevain, de politicus, kende diverse Montessorianen, dus stuurden ze in 1920 hun dochtertje Gon naar de Montessorischool in de Lairessestraat. En omdat hij zo graag praatte, was Walrave al snel voorzitter van het schoolbestuur. Als zodanig had hij nauw contact met zijn nicht Hilda de Booy-Boissevain, afdelingsvoorzitster van de Nederlandsche Montessori-vereeniging.

Wetenschap en politiek

Twee Boissevains werden hoogleraar aan de Uni­versiteit van Amsterdam. Ursul Philip (1855-1930), een neef van Jan en Charles, was van 1917 tot 1926 hoogleraar Oude Geschiedenis. En Jeremy Boissevain (1928), een achterkleinzoon van journa­list Charles, doceerde er tot 1994 Antropologie. Een paar Boissevains kwamen in de politiek terecht. ‘Jonge Charles’, directeur van een ammoniakfabriek en bestuurder van het Concertgebouw, was tussen 1905 en 1919 lid was van gemeente­raad en Provinciale Staten. Zijn eega, de hiervoor genoemde Maria Boissevain-Pijnappel was van 1919 tot 1939 voor de liberale Vrijheidsbond lid van de Provinciale Staten. Maar de bekendste politicus was Walrave (Wally, 1876-1944), zoon van reder Jan. In 1913 kwam hij voor de liberalen in de Tweede Kamer en in 1918 in de gemeenteraad. In 1927 werd hij wethouder. Vol­gens partijgenoot en oude kennis Ernst Heidring, voorzitter van de Kamer van Koophandel, was Wally “geen groot licht, hoewel van het tegendeel overtuigd”. In de Kamer willen ze hem wel kwijt, schreef Heidring in zijn dagboek, “daar hij telkens bij gewichtige stemmingen op het appèl ontbreekt en golf speelt”. Walraves politieke tegenvoeter was S.R. (Monne) de Miranda van de SDAP. Ze wissel­den elkaar af als wethouder Volkshuisvesting en/of Publieke Werken. Boissevain had een heel eigen opvatting van democratie: het college van B&W zonder socialisten waartoe hij in 1933 toetrad, legde elke motie tegen het harde bezuinigingsbeleid naast zich neer. “Wij hadden besloten,” schreef Walrave in zijn memoi­res, “onze taak te volvoeren, als het kon met den Raad, als het moest zonder den Raad”. Maar hij was netjes genoeg om in 1939 als voorzitter van een onderzoekscommissie naar het ‘erfpachtschandaal’ alle beschuldigingen van corruptie tegen De Miranda te ontkrachten. Diens val was echter onvermijdelijk en Boissevain werd weer wethouder, tot de Duitsers hem in 1941 ontsloegen. Heel wat linkser was het gezin van ‘jonge Jan‘ en Mies Boissevain-van Lennep. Naast bankier was Jan commissaris van de avant-garde bioscoop De Uitkijk. Eind jaren dertig ving Mies, die een schoonheidsinstituut had op Keizersgracht 484, al gevluchte joodse kinderen uit Duitsland op. In de eerste bezettingsjaren werd hun huis Corellistraat 6 een centrum van verzet. De zoons Jan Karel en Gideon fabriceerden in het souterrain brandbom­men en wapens. Jan Boissevain werd in 1942 opgepakt wegens handelscontacten met een jood; hij stierf in 1945 in Buchenwald. De verzetsgeest van de familie bleef ongebroken. De groep rond Jan Karel en Gideon kreeg de naam CS6, naar het huisadres. Leo Frijda, Hans Katan en anderen maakten er deel van uit. Bij een overval in 1943 werden Mies Boissevain en haar drie zonen met anderen gearresteerd. Jan Karel, Gideon en hun neef Louis Boissevain en de andere CS6-leden wer­den op 1 oktober 1943 gefusilleerd. Op de muur van hun gevangeniscel werd na de oorlog de wapenspreuk van de Boissevains aangetroffen: Ni regret du passé, ni peur de l’avenir (Geen spijt over het verleden, geen vrees voor de toekomst). Mies en haar zoon Frans overleefden de oorlog, respec­tievelijk in Ravensbrück en in Dachau.

Adrienne Minette (Mies) Boissevain – van Lennep (1896 – 1965)

Jongste generatie in kunstensector

Het geslacht Boissevain is over ons land en de wereld uitgezwermd; er zitten er veel in het Gooi, rond Arnhem en in Amerika. Naoorlogse bekende Amsterdamse Boissevains vind je nog in de kun­stensector. Beeldend kunstenaar Guus (1929) behoorde in de jaren vijftig en zestig tot de bohè­me. Deze zoon van een hoge legerofficier tekende cartoons voor De Telegraaf, maar noemde zich anarchist. Nu woont hij in een commune in Bergen aan Zee, waar hij jut en wilde feesten geeft. Zijn zoon Daniël (1969) rondde de toneelschool af in 1994 en acteert onder meer in de tv-serie ‘Tijd van leven’.

Daniël Boissevain (1969)

Annemie Boissevain (1939), klein­dochter van prof. Ursul Philip, is sinds 1975 gale­riehoudster. De Witte Voet, nu in de Kerkstraat, is gespecialiseerd in keramiek. Het journalistenbloed, ten slotte, zit in Marianne Boissevain (1946), een achterkleindochter van Charles en kleindochter van Alfred Gideon. Zij is al vele jaren buitenlandredacteur, zij het niet van NRC Handelsblad maar van de Volkskrant.

Het Boissevain-archief (1556-1992) is geïnventariseerd door P.J. Hofland en H. Peschar van het Gemeentearchief en daar te raadplegen: archiefnummer 394. Dit artikel is deels gebaseerd op de inleiding van deze inventaris en notities van Hofland.

Uit: Ons Amsterdam

Door: Lydia Hagoort & Peter-Paul de Baar

Wilhelm Theodor Boissevain: de dominee van de NSB

wthb

Eind jaren 20 van de vorige eeuw werd Wilhelm Theodor Boissevain (1880-1945) gezien als een talentvol coming man in de kerk. Jaren later werd hij door Rost van Tonningen ‘de meest intelectuele NSB-er’ genoemd, een partij-ideoloog. Het leven van W.Th. Boissevain is te beschouwen als een muziekstuk met de titel: Tussen avondrood en zonsondergang. Aan de ene kant het fin-de-siècle gevoel en aan de andere kant de ondergangsstemming van de beide wereldoorlogen. Zijn levensgang in deze periode is opmerkelijk: van talentvol, jonge theoloog naar ideoloog van de NSB. In deze laatste rol heeft W.Th. Boissevain een belangrijk bijdrage geleverd aan het winnen van het protestants-christelijk volksdeel voor de NSB. Wat waren de idealen van deze opmerkelijke man? Wat waren zijn drijfveren om lid te worden van de NSB? En hoe is hij met de keuzes die hij maakte, te plaatsen in zijn tijd? Henk Tijssen geeft de antwoorden in de biografie die hij schreef over W.Th. Boissevain.

W.Th. Boissevan kwam in 1880 ter wereld in een gezin, dat de (in hun geval: Waalse) hervormde kerk trouw zou blijven in de woelige negentiende eeuw. Dat was geen vanzelfsprekendheid, want Hendrik de Cock en volgelingen knaagden in 1834 aan de fudamenten van de volkskerk en Abraham Kuyper zette vanaf de jaren zestig van die eeuw zelfs de bijl aan de wortel en leidde in 1886 een aantal klagenden uit de zijns inziens slappe, niet stringent confessionele Nederlandse Hervormde Kerk.

W.Th. Boissevain, die in Groningen theologie studeerde, voelde groeiende sympathie voor Hoedemakers gedachte dat kerk en staat onlosmakelijk met elkaar verbonden waren: de staat had te luisteren naar Gods geboden en kon onmogelijk neutraal zijn, zoals Thorbecke in 1848 bij wet had besloten. Dat Abraham Kuyper de publieke ruimte nu vulde door achtereenvolgens in de kerk en in de politiek zijn eigen partijtje te blazen en zo verdeeldheid zaaide, was de jonge W.Th. Boissevain een doorn in het oog. De publieke ruimte (de politiek) liet hij aanvankelijk voor wat die was. W.Th. Boissevain concentreerde zich in de eerste decennia van zijn werkzame leven op de kerk.

Voor W.Th. Boissevain was de onderlinge verdeeldheid van de hervormde kerk al even onaanvaardbaar als die voor Hoedemaker was geweest. Met dit verschil, dat het streven naar eenheid binnen de kerk in een door het modernisme gestempelde cultuur in het Interbellum volstrekt tevergeefs was. De kloof tussen modernen (zelfs rechts modernen) en orthodoxen was inmiddels eenvoudig te groot.

Met aandoenlijk idealisme (Tijssen beklemtoont terecht dat W.Th. Boissevain zijn leven lang een idealist was) schreef W.Th. Boissevain zijn vingers blauw om de versplinterde hervormde kerk tot een eenheid samen te ballen. Zijn De kansen der kerk (1930) was een wanhopige poging zijn kerk de weg te wijzen. Toen dat in geschrifte niet lukte, week hij uit naar een katholiek model: een bisschop zou de zo gewenste eenheid moeten smeden. Het bewees dat W.Th. Boissevain, bij gebrek aan intellectuele weerklank, zijn heil steeds meer zocht in een sterke man.

W.Th. Boissevain stond in de jaren dertig niet alleen met zijn hang naar eenheid. In de hervormde kerk, maar ook in katholieke kring, was een sterke drang naar volkseenheid. Het naoorlogse verlangen naar ‘doorbraak’ van de verzuilde samenleving was in het Interbellum al te bespeuren bij theologen als Willem Banning en Jo Eijkman. Tijssen is zo gefixeerd op W.Th. Boissevain dat hij die bredere lijn niet kan of wil trekken. Maar daar staat tegenover dat hij de (gevolgen van de) keuze voor de NSB tot op het bot uitbeent en de tragiek van dit mislukte leven tot in detail beschrijft.

Midden jaren dertig verruilde de moegestreden W.Th. Boissevain kerk en staat: door lid te worden van de Nationaal-Socialistische Beweging hoopte hij vanaf nu de onderlinge verdeeldheid van het Nederlandse volk te overwinnen, waaruit de eenheid in de kerk dan weer zou voortvloeien. IJdele hoop. W.Th. Boissevain liep namelijk vast in het moeras van het antijudaisme. Dat ligt bij christelijke theologen (of zij nu rooms-katholiek, gereformeerd of hervormd zijn) uit de aard der zaak natuurlijk voortdurend op de loer. Het Jodendom heeft wel het religieuze eerstgeboorterecht, maar dat is door het christendom eeuwenlang betwist. W.Th. Boissevain maakte zich tot tolk van dit antijudaisme, na aanvankelijk nog betoogd te hebben dat Joodse en christelijke uitlegging der Schrift zou moeten worden ‘geharmoniseerd.

Maar al gauw begon nationaal-socialistische denkbeelden zijn theologie te vergiftigen. Het Jodendom was voor W.Th. Boissevain eind jaren dertig niet alleen meer een godsdienst, het was nu ook een ras: ‘In het Joodsche volk zijn geest en mythe, ras, bloed en historie tot een veeleenheid gevormd.’

„Grens tussen wereldvreemdheid en blindheid voor tijdgeest lijkt soms flinterdun”

W.Th. Boissevain repte, schrijft Tijssen, met geen woord over moord op de Joden. Hij wenste hen een eigen staat toe en meende zo in de lijn van Hitler te redeneren. Dat was al een ernstige vergissing, maar zeker zo ernstig was dat W.Th. Boissevain nu overtuigd was van een ‘Joodsch probleem’ dat hij nu, geheel in nationaal-socialistische geest, alom tegenwoordig achtte. In de slangekuil die de NSB was, laveerde de dominee kunstig door tussen draufganger Meinoud Rost van Tonningen en ambtenaar Anton Mussert. Rost prees W.Th. Boissevains ‘arisch christendom’ uitbundig aan bij zijn Duitse vrienden. Je zou denken dat het W.Th. Boissevains reputatie bij Mussert schaadde. Maar zie: die benoemde hem in 1944 tot persoonlijk adviseur.

Het was een troostprijs die tot niets diende. W.Th. Boissevain vluchtte na Dolle Dinsdag (september 1944) naar Duitsland, keerde korte tijd later terug naar Nederland en werkte in 1945 als privésecretaris van de NSB-burgemeester in Marum (Groningen). Zo diep was de man gezonken: eens op de nominatie voor kerkelijk hoogleraar aan een rijksuniversiteit, nu privésecretaris van een dorpsburgemeester. Het kon nog erger: op 23 maart 1945 viel W.Th. Boissevain van de trap in het gemeentehuis. Het was een dood in stijl: even sneu als zijn mislukte leven.

Wim Berkelaar, voor Protestant.nl
6 januari 2010

Henk Tijssen is historicus en docent geschiedenis. In 2008 studeerde hij af in Groningen met een scriptie over W.Th. Boissevain.

Jan Boissevain: Amsterdams reder

Jan Boissevain (1836-1904) is zoon van Gideon Jeremie Boissevain (1796-1875) en Maria van Heukelom (1801-1866). Hij was gehuwd sinds 15-5-1862 met Petronella Gerharda Johanna Brugmans (1838-1905). Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 5 dochters geboren.

Familie van Jan Boissevain met Mia, Walrave, Nella, An, Thijs, Heleen, Charles Daniël Walrave , Li, Aat van Hall, Wil de Vos, Sissy Blijdenstein en Gi den Tex

Jan Boissevain werkte na een school van uitgebreid lager onderwijs doorlopen te hebben reeds sinds zijn dertiende jaar op kantoor bij zijn vader, die een kleine zeilschiprederij had, en in enkele van zijn brieven ontwikkelt hij een plan om die rederij te vergroten en om te zetten tot een stoomvaartdienst op Nederlands-Indië, in tegenstelling tot het heersende dogma dat stoomschepen alleen goed waren voor kustvaart of korte oversteek. Hij dacht toen nog aan snel zeilende klippers met hulpstoomvermogen, maar in de loop van de jaren zestig namen de vooruitzichten toe voor een zuivere stoomvaartlijn vanuit Amsterdam. Drie omstandigheden werkten hiertoe mee: het Suezkanaal in het verschiet, het langzaam tot uitvoering komende Noordzeekanaal ter vervanging van het omslachtige Noord-Hollands Kanaal, en de verbetering van de compoundmachine waardoor een belangrijke kolenbesparing mogelijk werd.

jan boissevain archief

Jan Boissevain (1836-1904)

Toen het met beide kanalen lange tijd slabakken bleef richtte zich Boissevains belangstelling op de regeringspolitiek ten aanzien van de zeilvaart op Indië, waarbij hij in twee artikelen in De Economist (1868 en 1869) op grond van gedegen statistische gegevens afschaffing van de subsidies en van de beurtvaarten bepleitte. Maar in 1869, toen het Suezkanaal zijn inwijding naderde kwam een Schotse reder met het voorstel tot oprichting van een stoomvaartlijn op Nederlands-Indië. In augustus 1869 werd op initiatief van een Amsterdams cargadoor een vergadering van belanghebbenden belegd. Men besloot een comité van actie te benoemen waarin Jan Boissevain, sinds 3 november 1868 (tot 22 augustus 1873) liberaal lid van de Amsterdamse gemeenteraad, een der leden was. Het kreeg als eerste opdracht zich in verbinding te stellen met prins Hendrik (‘de Zeevaarder’) die de Nederlandse regering bij de opening van het kanaal zou vertegenwoordigen. De Prins zegde zijn volle medewerking toe, zowel geldelijk als moreel, maar slechts op voorwaarde dat de zaak een nationaal karakter zou dragen. Hierdoor werd de Schot uitgeschakeld, en daar zowel de zojuist genoemde cargadoor als de Prins zelf naar Egypte vertrokken vielen de voorbereidende werkzaamheden op Boissevain als jongste lid van het uitvoerend comité. Er moest haast worden gemaakt, wilde de handel in Oost-Indische producten zich niet naar het zoveel gunstiger gelegen Zuid-Europa verplaatsen. De stemming op de Amsterdamse beurs was sceptisch. Boissevains berekeningen, hoe zorgvuldig ook opgesteld, vonden weinig vertrouwen, en toen in maart 1870 de inschrijving werd opengesteld kwam van het benodigde kapitaal van 3½ miljoen niet meer dan 2½ bijeen. Eerst na veel intense propaganda, met steun van prins Hendrik gevoerd, en met een beroep op vaderlandsliefde, werd bij een hernieuwde openstelling het gevraagde bedrag bereikt. Op 13 mei 1870 kon de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’ worden opgericht met een driehoofdige directie waarvan Jan Boissevain gedurende precies 34 jaar de ziel bleef. De Koning trad als beschermheer op, diens broer als zeer actief erevoorzitter, de burgemeester van Amsterdam mr. C.J.A. den Tex, als president-commissaris.

hendrik-11

Prins Hendrik – de Zeevaarder (1820-1879)

De eerste jaren van de nieuwe maatschappij waren niet voorspoedig. De berekeningen bleken wat optimistisch geweest te zijn, havenfaciliteiten in Nieuwediep moesten gehuurd worden van de Koninklijke Marine die daar slechts voor korte tijd in toestemde. Het Noordzeekanaal, waarvan men hoge verwachtingen koesterde kon eerst in 1876 door kleine, in 1879 door grote schepen bevaren worden en toen bleken de haveninstallaties aan het IJ nog onvoldoende te zijn. Het ergste was evenwel dat de maatschappij getroffen werd door een aantal scheepsrampen. Het eerste, in Schotland gebouwde schip dat in 1871 uitvoer, verbrandde na nauwelijks een etmaal, weliswaar waren daarbij geen mensenlevens te betreuren, maar de maatschappij bleef jarenlang verstrikt in processen over schadevergoedingen aan de passagiers. In 1881 verging een ander schip in de Indische Oceaan waarbij één van de reddingsboten met bemanning en passagiers in de golven verdween. Ook onbetrouwbare schroeven veroorzaakten in de eerste jaren veel reparatiekosten en vertraagde reizen. Toch ging het toen de Maatschappij al beter. In 1873 had zij de dank van de Regering geoogst voor de snelle legertransporten bij het uitbreken van de Atjehoorlog. Ook werd in 1874 voor het eerst dividend uitgekeerd.

Enkele jaren later werd Indië getroffen door de beruchte suikercrisis. Een catastrofale daling in de suikerprijzen had de Nederlandsch-Indische Handelsbank in het najaar van 1884 in ernstige moeilijkheden gebracht daar zij ver boven haar eigen middelen kredieten aan planters had verstrekt. Als zij surséance moest aanvragen zou dit een ramp betekenen voor de hele economie van Oost-Indië en indirect voor de beide stoomvaartlijnen ‘Nederland’ en ‘Rotterdamse Lloyd’. De grote bankier A.C. Wertheim en Jan Boissevain verenigden enige andere Amsterdamse zakenlieden, “zooals men elkander aan de Beurs vond, zonder voorafgaand overleg” (zo schreef Boissevain later). “Hoe moeilijk leek de zaak, toen men de behoeften had overzien! Negen millioen waren noodig… Men had slechts vijf dagen tijd…” Een nieuwe maatschappij ad hoc werd opgericht. Ieder van de initiatiefnemers liep zich het vuur uit de sloffen, en twee uur voor het verstrijken van de vijf dagen lag het geld op tafel en was de Nederlandsch-Indische Handelsbank gered. Boissevain was toen sinds twee jaar voor het kiesdistrict Amsterdam liberaal lid van de Provinciale Staten geworden. Hij zou dit blijven tot 1898 en nogmaals voor Amsterdam VI van 1901 tot zijn dood.

Toen de crisis afebde kwam de kwestie van de pakketvaart tussen Java en de buitenbezittingen aan de orde. Deze was in handen van een schijnbaar Nederlandse, in wezen Engelse maatschappij die alle verkeer op Singapore richtte, tot veel klachten van passagiers en bevrachters aanleiding gaf, en in geval van oorlog weinig behulpzaam zou kunnen blijken. Het nationaal belang eiste een zuiver Nederlandse onderneming, die echter moeilijk van de grond kon komen als men rekening zou moeten houden met scherpe concurrentie van de bestaande maatschappij. Boissevain stond bekend als soepel onderhandelaar, steeds geneigd de belangen van de tegenpartij niet over het hoofd te zien. Tijdens herhaalde reizen naar Engeland en Schotland slaagde hij er eerst in een vriendschapsrelatie met de directeur van de Nederlandsch-Indische Stoomvaart Maatschappij, Sir William McKinnon, op te bouwen. Vervolgens wist hij de gehele vloot van die maatschappij voor schappelijke prijs door de nieuwe Koninklijke Pakketvaart Maatschappij te doen overnemen.

Het was niet de enige Amsterdamse onderneming waartoe de directeur van de ‘Nederland’ de stoot gaf. Toen de installaties van de maatschappij in 1877 van Den Helder naar Amsterdam zouden worden overgebracht, bleek er dringend behoefte te bestaan aan een groter droogdok. De Amsterdamse Droogdok Maatschappij werd door Boissevains stuwende kracht opgericht en zou meer dan een eeuw, de eerste 26 jaar met hem als president-directeur, bijdragen tot de bloei van de Amsterdamse haven. Daar er behoefte bestond aan een machinistenschool werd deze mede dank zij zijn steun opgericht. Later kreeg dit instituut de naam van Middelbaar Technische School.

De oprichting van de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij in 1894 was in zoverre merkwaardig dat zij het gevolg was van een demarche van de kant van de ontslagen arbeiders van ‘Werkspoor’ – toen dit bedrijf de scheepsbouw opgaf – bij commissarissen en directie van de ‘Nederland’. Het is de eerste keer dat men iets verneemt van handelend optredende arbeiders bij de Scheepsbouw Maatschappij, iets waaraan Boissevain moeilijk heeft kunnen wennen. Hij had hart voor zijn werknemers, wat o.a. bleek uit het feit dat hij jarenlang voorzitter was van een woningvereniging die huizen voor arbeiders bouwde; hij en zijn vrouw hielpen hen met raad en daad als er moeilijkheden waren, dankbaarheid werd verwacht voor wat de arbeiders meer en meer als hun recht gingen beschouwen. Daarom ook ervoer hij de staking der havenarbeiders in 1903, die leidde tot de spoorwegstakingen, als een persoonlijke belediging, die wellicht zijn levenseinde heeft verhaast. In het voorjaar van 1904 vertrok hij met vrouw en dochter naar Bellagio en liet een gedrukte afscheidsbrief achter voor al zijn medewerkers. Op zijn wens is hij in Bellagio op het protestantse kerkhof begraven.

Ondanks zijn vroeg beëindigde schoolopleiding was Jan Boissevain een veelbelezen man, die zijn talen goed sprak – het Frans zonder accent. Hij was geabonneerd op De Gids – Potgieter was een huisvriend – en op de Revue des Deux Mondes. De artikelen in deze bladen vormden het geliefkoosde onderwerp van zijn tafelconversatie, waar alle roddel streng verboden was. Hij was een trouw kerkganger in de Walenkerk, maar ook wel bij gelegenheid onder het gehoor van vrijzinnige hervormde of doopsgezinde dominees. Maar toen zijn kinderen De Nieuwe Gids boven de oude, de symbolisten boven de romantici prefereerden, en de grondstellingen van het Christendom in twijfel trokken, kon hij hen niet volgen. En toen de omgang met zijn werknemers niet meer een kwestie van individuele hulp was, maar van harde onderhandelingen met vakverenigingen, liet hij dit gedeelte van de directietaak gewoonlijk over aan zijn jongste mededirecteur jhr. L.P.D. Op ten Noort. In economisch opzicht ging hij wel met zijn tijd mee en terecht kan men hem als een Amsterdams handels-en scheepvaartmagnaat aanduiden.

A: Archief-Boissevain in Gemeentearchief Amsterdam.

P: Jaarverslagen van de Maatschappij Nederland, 1871-1903; Terugblik op de eerste 25 jaren van het bestaan der Stoomvaartmaatschappij “Nederland” (Amsterdam, 1895).

L: N.G. Pierson, in Eigen Haard 1904, 742-750; Charles Boissevain, Onze Voortrekkers [Amsterdam, 1906]; Gedenkboek der Stoomvaart-Maatschappij Nederland 1870-1920. Samengest. door M.G. de Boer (Amsterdam, 1920); M.G. de Boer, Geschiedenis der Amsterdamsche Stoomvaart (Amsterdam, 1921-1922. 3 dln.); J.C. Ramaer, in Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, VII, kol. 161-164.

I: Peter Hofland, Leden van de Raad. De Amsterdamse Gemeenteraad 1814-1941. (Amsterdam 1998) 132.

Auteur: Jan den Tex

Overgenomen van: Resources Huygens ING

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979) Laatst gewijzigd op 12-11-2013

 

Publicatie over Jan Boissevain

Esmeralda Tijhoff: De ADM van Boissevain

 

Grootmeester Nederlandse journalistiek op ‘Drafna’

Bossevain,_Charles

Charles Boissevain (1842-1924)

Aan de Meentweg in Naarden stond tot in de Tweede Wereldoorlog een groot Zwitsers huis met de Noorse naam Drafna. Aanvankelijk diende het uit 1860 daterende huis als zomerverblijf annex buitenplaats voor een van Nederlands grote industriëlen. Later werd het huis permanent door particulieren bewoond. Het eindigde zijn geschiedenis in 1941 als bouwvallig schoolgebouw van een destijds gerenommeerd Theosofisch Lyceum. In de oorlogsjaren liet een schoensmeerfabrikant het houten gebouw slopen en op de plek een stenen villa onder dezelfde naam bouwen. Dat huis behoort sinds 1948 toe aan eigenaren van een van Nederlands bekende kledingconcerns.

_normal_drafna_09_oude_foto

In dit artikel gaan we het hebben over de journalist Charles Boissevain (1842-1927), ook een bewoner van Drafna. Vijf jaar geleden noemde de auteur en columnist H.J.A. Hofland deze man ‘de journalist van de eeuw’, maar voegde daar aan toe dat journalisten niet ‘voor de eeuw’ maar ‘voor vanavond’ schrijven. De volgende dag al worden er namelijk visgraten in hun werk verpakt.

Boissevain bewoonde het voormalige Drafna ruim dertig jaar, vanaf 1896 tot aan zijn overlijden. In 1911 stichtte zijn oudste zoon, jonge Charles, het eveneens aan de Meentweg gelegen landhuis Bergerac. Nog iets verderop bevindt zich het landgoed De Duinen met het in 1912 gebouwde huis met dezelfde naam, waar Boissevains oudste dochter Mary, toen gehuwd met de bankier Cornelis van Eeghen, woonde. In dezelfde tijd werd tegenover Drafna het huis Heerlijkheid gesticht door het echtpaar Den Tex-Boissevain, een neef en nicht van Charles. Boissevains dus te over aan Naardens schoonste weggetje, dat in die tijd nog de Oude Valkeveenscheweg werd genoemd. Wie deze toonaangevende mensen met Franse geslachtsnaam waren, is terug te vinden in het Gemeentearchief van Amsterdam. Daar kan men onder toegangsnummer 394 het omvangrijke Boissevainarchief raadplegen. Het onderstaande verhaal is er grotendeels aan ontleend.

Eigenlijk was de naam Bouyssavy. Althans zo noemde een verre voorvader Lucas zich, die in de 17de eeuw ten oosten van Bergerac in de Dordogne wijnboer was. Deze Lucas, een moedig en godvruchtig man, moest wegens geloofsvervolgingen uitwijken naar Bordeaux. Daar verschool hij zich aan boord van een schip met vaten wijn, tenminste zo wil het verhaal, en belandde omstreeks 1691 in Amsterdam. De Nederlandse Boissevains stammen dus uit een geslacht van réfugiés of Hugenoten. ‘Opgejaagd als een hert’, schreef Charles over zijn voorvader Lucas, die in Amsterdam in zijn onderhoud kon voorzien door het geven van les in de Franse taal en het maken van tekeningen. Hij stierf reeds op 44-jarige leeftijd. Zijn reislustige zoon Jérémie (1702-1762), wiens zwerftochten hem tot in Perzië voerden, werd naderhand ‘vader’ van het Walenweeshuis. En een andere zoon, Gideon Jérémie (1741-1802), was het, die geluk had in de handel en zich daardoor een maatschappelijke positie wist te verwerven die het geslacht vanouds in Frankrijk ook al bezat. Daniël (1772-1834), de grootvader van de Charles van dit verhaal, was de derde van de elf kinderen van genoemde Gideon Jérémie. Hij noemde zich inmiddels Boissevain en ging eveneens in de handel. Zo ook diens zoon, de vader van onze Charles.

Voor zijn vader, ook een Gideon Jérémie (1796-1875), koesterde Charles een grote bewondering. Hij was reder van beroep en woonde op de Herengracht. De scheepvaart nam als vanzelf een centrale plaats in binnen het gezin Boissevain.

Hoe herinner ik mij uit mijn jeugd‘, schreef Charles eens, ‘de machtige betekenis van de wind voor het zeevarend Holland! ’s Ochtends was de eerste taak van mijn vader om in de tuinkamer uit het venster te gaan kijken naar het haantje van den Westertoren om te zien hoe de wind was. Want de ‘Nederland & Oranje’, de ‘Bestevaer’ en de ‘A. Falck’ lagen al een paar weken te Nieuwediep (Den Helder, red.), wachtende op de gunstige oostenwind en ziet de wind bleef altijd maar uit het westen waaien, tot groot verdriet van reeder en gezagvoerder. Welk een aardig slag mensen waren die scheepsgezagvoerders van een vijftig jaar geleden! Die op mijn vaders schepen, kwamen meest uit Katwijk, uit deftige gezinnen, wier hoofden van vader tot zoon kapiteins waren van Amsterdamsche Koopvaardijschepen. Nog zie ik hen voor mij, de Duyvenbodes en de Van der Plassen, breede krachtige mannen, trouwhartig, onkreukbaar eerlijk, gelijk mijn vader steeds getuigde. Ze brachten de poëzie van de zee steeds onze huiskamer binnen als ze kwamen koffiedrinken na behouden terugkomst. Dan brachten ze geschenken mee, waarvan ik er een tot nu bewaard heb, een Indische prauw met zeilen en roeiers geheel van kruidnagelen gemaakt. Potten gember, kanaries van de Canarische eilanden, snuisterijen uit Java, den geur der morgenlanden brachten ze het huis op de Heerengracht binnen. Geen wonder, dat ik de zee liefheb!

GIDEON JEREMIE (1796 - 1875) x MARIA VAN HEUKELOM (1801 - 1866)

Charles moeder was Maria van Heukelom (1801-1866), de dochter van een groot bankier. Bij haar huwelijk, in juni 1830, kreeg ze van haar vader al voor 40.000 gulden aan Nederlandse effecten mee, waaruit valt op te maken dat het in dit gezin aan niets ontbrak. Via de Van Heukeloms kende de familie de heer Van Rossum op Zandbergen te Naarden en het is dan ook aardig om uit Gideon Jérémies dagboeknotities van zaterdag 14 september 1839 het volgende te citeren:

Ten 8 Uren met Papa van Heukelom, & Jan & Margo (ook Van Heukeloms, red.) met het wagentje & de Tilbury naar Zandbergen boven Naarden bij den Heer I.P. van Rossum, de plaats en de Zanderij bewandeld, en Kweek van jonge boomen bezigtigd. Collation in de open lucht genuttigd. Met het Rijtuig van den Heer van Rossum naar het zomerhuis van den heer Huidecoper (het paviljoen), ’t welk f 75/m gekost heeft. Schoon gezigt van het Balcon af, men ziet Amsterdam, Hoorn, Harderwijk, Amersfoort en Utrecht. Ten 1/4 voor 8 Uur weder in de stad gekomen en toen gegeten, het weder was schoon.

Bewondering voor Charles’ vader was er in 1832, toen hij tijdens de beruchte cholera-epidemie Amsterdam verkoos boven een veiliger verblijf op het platteland. Vrijwel iedereen met geld en vrienden elders zocht een onbesmet onderkomen op de zandgronden. De rijke reder Boissevain daarentegen zocht de zieken op! Aan de Prinsengracht regelde hij een leegstaand huis en vestigde er een hoofdkwartier om van daaruit de epidemie te bestrijden. Hij wierf personeel voor het vervoer en de verpleging van zieken en begaf zichzelf onder de cholerapatiënten. Een moedige vader dus, die door de goede God, zoals hijzelf zei, gespaard bleef. Hij kreeg er een medaille van de stad Amsterdam voor. Dat stukje eremetaal was in de familie meer waard dan menig ridderorde.

Ook voor zijn moeder had Charles een grenzeloze waardering. Zij sprak haar talen en was zeer belezen. Goethes citaat dat de jeugd vatbaar was voor het hoogste geluk, stond bij haar hoog in het vaandel. Charles’ jeugd speelde zich deels af op het buiten ‘Duinvliet’ tussen Overveen en Aerdenhout, waar het gezin halverwege de negentiende eeuw, naar eigen zeggen, de heerlijkste zomers doorbracht. Op gevorderde leeftijd verheerlijkt de avontuurlijk van aard zijnde Charles de roeitochten daar, de ritten te paard en het lezen van ‘Ivanhoe, The Heir of Redclyffe’ onder een hoge eik. ‘Een toververhaal uit het land der idealen’ noemde hij het boek. In die tijd logeerde hij eens bij zijn grootvader Van Heukelom op Leeuwenhooft in de Haarlemmer Hout. Op een zondag in mei reed hij met hem in een brik naar Heemstede. Daar in de kerk zag hij op de kansel Nicolaas Beets. Hij raakte onder de indruk van hoe treffend mooi en toch eenvoudig deze een preek voorlas. Ook in het ouderlijk huis ontmoette Charles dikwijls hoogstaande mannen op het gebied van de kunst en de letteren. Na zijn schooljaren voelde hij zich tot de letterkunde aangetrokken en zijn aangeboren opmerkingsgave leidde vervolgens als vanzelf tot de journalistiek.

Al in 1865, Boissevain was toen 23 jaar, schreef hij onder de schuilnaam ‘Fantasio’ in het toonaangevende Algemeen Handelsblad zijn eerste artikelen. Het waren de zogenoemde ‘Iersche Brieven’, die niet alleen door hun inhoud, maar ook door de vorm waarin zij gegoten waren zeer de aandacht trokken. Zijn jeugdige, frisse beschouwingen vormden al snel verkwikkende oases in de toen gortdroge en dorre inhoud van de dagbladen. Het is daarom niet vreemd dat hij kort daarna in de redactie van het blad werd opgenomen. Charles werd buitenlands correspondent en op een van zijn reizen ontmoette hij de Ierse Emily MacDonnell, die later zijn vrouw zou worden. ‘Een Schotse van naam en afkomst’, zei de schrijver Potgieter, die bevriend was met Boissevain, toen hij Emily aan zijn confrère Busken Huet voorstelde. In 1885 werd Charles Boissevain hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad en twee jaar later begon hij met zijn eigen rubriek ‘Van Dag tot Dag’. Hij introduceerde hiermee het hoofdredactionele commentaar in de Nederlandse journalistiek. In zijn circa 4.300 ‘columns’, die tot de populairste lectuur van zijn tijd behoren, heeft hij zijn eigen zeer persoonlijke gaven geheel kunnen ontplooien. Er zijn niet veel onderwerpen te bedenken waarover hij niet geschreven heeft. Bekend werden zijn polemieken met de gereformeerde politicus Abraham Kuyper en zijn steun voor de Zuid-Afrikaanse Boeren in hun opstand tegen de Engelsen.

‘Ons Amsterdam’ (1996 afl. 10) beschreef Charles Boissevain onder meer als volgt: ‘Charles was op en top een liberaal. Het vrije ondernemerschap ging bij hem boven alles, maar de ‘Oranjefurie’ tegen de socialisten in 1887 keurde hij scherp af. De veroordeling en de verbanning van de joodse officier Alfred Dreyfus in Frankrijk in 1894 vond hij een schande en in 1898 interviewde hij als eerste Nederlander Emile Zola, romancier en Dreyfus’ welsprekende verdediger. Daarentegen veroordeelde hij het opkomend socialisme.

Tot ergernis van de linkse journalist Henri Wiessing, van 1907 tot 1915 hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, die Charles kenschetste als ‘de zelfvoldane opperliberaal van die dagen’ die ‘op basis van een wel zorgvuldig maar tweederangs schrijftalent en een inhalige geest zonder schroom zichzelf en zijn hele familie naar de voorgrond drong’.

Aanvankelijk woonde Charles Boissevain met vrouw, elf kinderen en met het Engelse kindermeisje Polly Barker op de Herengracht nr 332. Zijn vermaarde broer Jan, oprichter van de Stoomvaart Maatschappij Nederland, woonde een paar huizen verder. Op 54-jarige leeftijd kocht Boissevain Drafna en werd Naarden het domicilie van de toen al ‘Paus van de vaderlandse journalistiek’ genoemde bekende Nederlander. Die typering vond hij overigens niet prettig. Rond de eeuwwisseling zagen de Naarders hem elke morgen in een wagentje met een wit hitje ervoor gespannen naar het station rijden. Later legde hij de afstand veelal per driewieler af.

Alhoewel hij eens op Drafna in een toneelspel de draak stak met de Gooise boeren die zijn naam niet goed konden uitspreken, koesterde hij sinds zijn verhuizing naar Naarden een bijzondere liefde voor het Gooi. De natuur was hem alles. Hij kon zeer geestdriftig schrijven over bomen en bloemen, over de Hollandse duinen en de zee, het strand, over een sneeuwstorm en over een nachtelijke wandeling over de Gooise heide, waarbij hij overweldigd werd door het licht van de maan en de pracht van de sterrenhemel.

‘Waarom Maart’, zo schreef hij, ‘de lentemaand wordt genoemd, besef ik eerst goed sinds ik hier buiten woon in het Gooi. Want zij heet lentemaand, omdat onze dichterlijke taal niet in de steden is geboren, maar in de eerste plaats doordrongen is van het gevoelen, denken en verbeelden van hen die het land bewonen en den grond ontginnen en voor wie Maart zaaimaand is.’

En in de zomer van 1906 schreef hij: ‘Gisteravond zongen bij mij op Drafna voor het eerst van dit jaar een paar nachtegalen in de eschdoornlaan, in de luwte van het dennenbosch‘.

Boissevain Daughters

Charles en Emily Boissevain poseren met hun zes dochters voor Drafna

Het leven op Drafna met kinderen en kleinkinderen temidden van de fraaie natuur werd op latere leeftijd het belangrijkste in het leven van Charles Boissevain. Veel brieven, toneelstukjes, menu’s en foto’s getuigen van de goede en vaak feestelijke sfeer die er op Drafna heerste. Daar ook schreef Charles zijn ‘Zonnige uren’, opstellen die hij maakte als ‘de zon in zijn inktkoker scheen’ en hij zich verheugde over de momenten van lieflijke en schone dingen die mensen kunnen opbeuren en hoop geven. Het boek werd opgedragen aan zijn kleinkinderen, die, zei Charles ‘ons dwingen jong en vrolijk te blijven; kinderhandjes strijken de rimpels glad van het fronsend voorhoofd.’ Charles was een groot kindervriend. Hij geloofde heilig in de kracht die er schuilt in het grote, nauwverbonden gezin, in huiselijk geluk.

In 1912, bezocht de journalist Jan Feith hem op Drafna voor een interview.

Het was de dag van zijn 70ste verjaardag’, schreef Jan Feith, ‘28 oktober 1912, in den vollen herfst, een van najaarspracht jubelende kleurdag in Holland, mooi-Gooi op zijn heerlijkst. Daar woonde hij buiten Naarden, naar den kant der vlakke Zuiderzee, aan den ruigen Gooikant, in zijn idyllisch houten buitenhuis, de groote tuin als park, heuvelachtig en bosrijk. Aan de bocht van de Huizerweg, de kortgesnoeide haag langs, de glooiing van een op Ierland geïnspireerde lawn, daartusschen de breede oprij-weg, leidend naar het in chalet-stijl gebouwde woonhuis. Terzijde lag rimpelloos de lage vijver, nu vol bladval; het dennenbosch daarneven; een rustiek bruggetje over een ravelijntje. En achter het half Zwitsersch half Noorsche huis, tusschen de verspreid staande boomen, de wijde doorkijk over de lage, naar het noorden gespreide weiden, aan den einder afgesloten door den roest-bruinen wand van Valkenveensche bosschen. En daar weer achter de Zee, – “zeewind, gezuiverd door dennengeur!” zoals Charles Boissevain zijn eigen retraite eens aanduidde.

Charles Boissevain Handelsblad

Charles Boissevain is tot 1908 hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad gebleven. In dat jaar nam, tot grote schrik van de redactie, zijn zoon Alfred Gideon (1870-1922) het roer van hem over. Naast zijn journalistieke oeuvre schreef Charles enkele boeken, waaronder het in 1906 op Drafna gemaakte ‘Onze Voortrekkers’. Dat bij het Algemeen Handelsblad gedrukte bijna 500 pagina’s tellende werk vertelt over de geschiedenis van enkele van Charles voorouders en eindigt met persoonlijke herinneringen van hemzelf. Het boek werd niet in handel gebracht maar was uitsluitend bestemd voor familieleden en vrienden. In die kringen werd hij op handen gedragen.

Drafna werd familiehuis bij uitstek, waar kinderen en kleinkinderen dolgraag kwamen, waar grootvader Charles volop genoot van hun aanwezigheid en met overgave het ‘Hop Marjannetje’ en ‘Schuitje varen, theetje drinken’ met de kleintjes kon meezingen.

Charles is tot zijn overlijden in mei 1927 op Drafna blijven wonen. Zijn laatste jaren waren niet gemakkelijk. Een half jaar voor zijn dood bezocht een redacteur van het Algemeen Handelsblad hem nog een keertje in de grote kamer van Drafna, die uitzicht bood op de vijver. De bijna 85-jarige Charles werd toen de kamer binnengeleid ondersteund door een verpleegster. Van het licht, dat zo dikwijls door zijn inktkoker had geschenen, zag hij vrijwel niets meer. Voor wie wist hoe lezen, waarnemen en schrijven zijn grote vreugde waren, was het een droevig gezicht. Maar zijn geest was nog helder en zijn belangstelling voor het Algemeen Handelsblad was gebleven.

Zacht is het leven van Charles Boissevain uitgeblust. Als een zon, die langzaam onderging in de gouden schoonheid van het Gooi’, schreef men na zijn overlijden op 5 mei.

Toen Charles Boissevain eens aan het graf stond van een van zijn zusters, die ook in mei de eeuwige rust was ingegaan, zei hij:

Er is geen betere maand om van het leven te scheiden, dan de Meimaand, als alles herleeft, als alles hernieuwd wordt en weder opbloeit tot het dragen van nieuwe vruchten. Dat symbool van eeuwige herleving begroeten we, als wij onze dierbaren ons zien voorgaan.

Charles Boissevain werd op een dinsdagmiddag om twaalf uur op de begraafplaats bij Jan Tabak ter aarde besteld. Op het ogenblik dat de droeve stoet, waarin velen uit zijn grote gezin en het voltallige dienstpersoneel meegingen, Drafna verliet, op dat ogenblik werd van een venster een gordijn langzaam weggeschoven en zag men de vrouw, die bijna zestig jaar licht en vreugde had verspreid in het leven van Charles Boissevain. Ze was alleen in huis achtergebleven en oogde diepbewogen het stoffelijk omhulsel van haar man na.

Op het kerkhof, zo lezen we in de kranten van toen, waar een grote menigte, waaronder journalisten, de Naardense burgemeester Van Wettum, de Erfgooiersvoorzitter Emil Luden en vele andere bekenden uit het Gooi waren samengekomen om de bekende en beminde grijsaard de laatste eer te bewijzen, werd de baar gedragen door zoons, schoonzoons en de oudste kleinzoons. Rondom het graf en tegen de groene hagen waren kransen van rozen, seringen, aronskelken en rododendrons gevlijd. Aan de binnenkant was het graf gestoffeerd met sparrengroen, witte violieren en seringen. Een van Boissevains kleinzoons refereerde aan al het goede en schone wat grootvader hun had ingeprent en waar zij heel hun leven voordeel mee zouden kunnen doen. Charles jr. herinnerde aan de innige verhouding die bestond tussen de vader en al zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. En toen de Naardense torenklok haar brede uitvaartgalmen wijd over heide en veld beierde, zongen allen als afscheidslied zijn lievelingshymne uit het liedboek der Engelse Kerk:

Sun of my soul, Thou saviour dear

It is not night, if Thou be near.

Henk Schaftenaar, Naarden (september 2004)

De heer H. Schaftenaar is redacteur van ‘De Omroeper’, het geschiedkundige tijdschrift voor de plaats Naarden. Bovenstaand artikel is van zijn hand en geplaatst in jaargang 17, nr. 3.