Een systeem leeft niet

Dankzij geautomatiseerde systemen kan de Belastingdienst efficiënt en rechtmatig belastingen innen. De ICT is ook niet meer weg te denken bij de uitvoering door gemeentes en uitkeringsinstanties. Data staan centraal als de besluiten zijn geautomatiseerd. De mens verdwijnt daardoor naar de achtergrond. Kunnen geautomatiseerde registraties altijd leidend zijn in beslissingen die de overheid neemt?

Dat overheidsregistraties leidend zijn heb ik zelf mogen ervaren bij het aantekenen van bezwaar tegen mijn registratie bij de SVB. Als minderjarige woonde ik bij mijn ouders in Brussel. Na mijn middelbare schooltijd verhuisde ik voor studie naar Delft. Een jaar later verhuisden ook mijn ouders naar Nederland. De SVB gaat nu uit van de verhuisdatum van mijn ouders. Daardoor kan ik worden gekort op mijn AOW. De registratie van mijn buitenlands verblijf wordt niet aangepast op basis van systeemcontrole van de BRP. Dit probleem kan ik mij zelf aanrekenen, want ik  ben de bron van deze onjuiste registratie. Nadat ik op kamers ging wonen, had ik mij natuurlijk direct moeten aanmelden bij de gemeente voor inschrijving in de bevolkingsadministratie. Als achttienjarige had ik moeten weten dat een verlate inschrijving vijftig jaar later consequenties zou kunnen hebben voor de hoogte van mijn AOW-uitkering.

Veel gecompliceerder is het voor iemand die zich graag wil inschrijven bij de gemeente, maar de gemeente kan die inschrijving niet in behandeling nemen. Bijvoorbeeld van een dakloze die zich wil aanmelden als woningzoekende. De woningbouwvereniging stelt hiervoor de eis dat iemand inkomsten heeft. De gemeente verstrekt pas een bijstandsuitkering als de aanvrager staat ingeschreven. Echter, die inschrijving kan de gemeente niet doen omdat de dakloze nog geen woning in de gemeente heeft. De Nationale ombudsman krijgt regelmaat klachten van mensen die zich niet kunnen inschrijven en daarmee worden uitgesloten van zorg, steun of andere voorzieningen.

Mensen kunnen ook in de knel komen door fouten die de overheid maakt, bijvoorbeeld door verkeerde invoer van gegevens of onjuiste koppelingen. Dergelijke fouten kunnen gevolgen hebben voor uitkeringen, toeslagen of boetes. Het rechtzetten van gemaakte fouten is in praktijk een moeizaam proces, waarbij de bewijslast bij de burger lijkt te liggen. Betrokkenen hebben vaak geen weet van de oorzaak van de problemen en kunnen onverwacht slachtoffer worden van foutieve registratie.

Bekendste voorbeeld hiervan is de zaak Dolmatov. Deze Russische activist hing zichzelf begin 2013 op in zijn cel in een detentiecentrum in Rotterdam. Zijn asielaanvraag in Nederland was afgewezen en hij zou naar Rusland worden uitgezet. Dit besluit was gebaseerd op de indicatie ‘uitzetbaar in Nederland’ in het computersysteem. Als status van de vreemdeling was in het systeem automatisch het veld ‘verwijderbaar’ aangevinkt. Dit had niet gemogen, want er liep nog een beroepsprocedure. Door fouten in de registratie en gebrekkige communicatie in de vreemdelingenketen werd Dolmatov ten onrechte in bewaring gezet en kreeg hij niet de juiste rechtsbijstand en zorg. De Inspectie oordeelde hard over de zaak Dolmatov: “Het onzorgvuldig handelen van de Nederlandse overheid is niet alleen toe te schrijven aan het handelen of nalaten van functionarissen, maar ook aan de afhankelijkheid van – en het vertrouwen in – de systemen, procedures en formulieren die die functionarissen bij hun besluiten in die keten ondersteunen.” Als gevolg van deze analyse is er daarna fors gesleuteld aan de systemen en koppelingen binnen de vreemdelingenketen.

Het ligt voor de hand in cruciale gevallen niet langer blind te varen op systemen  en meer aandacht te schenken aan de menselijke kant van de zaak. De Nationale ombudsman stelt terecht dat het perspectief van de burger geborgd moet worden in alles wat de overheid doet. De overheid moet minder vanuit het systeem denken en meer de burger als uitgangspunt nemen. Een mens leeft, een systeem niet.

Roeiwedstrijd in herhaling

Na afloop van de roeiwedstrijd heb je een voldaan gevoel dat na een dag alweer is weggezakt. Als je hebt gewonnen krijg je een blik. Die medaille hangt even aan een lintje om je nek. Bij thuiskomst verdwijnt het in de schoenendoos vol sporttrofeeën. Soms maken vrienden foto’s van de race. Dan heb je in ieder geval nog een mooie herinnering van de wedstrijd.

Tegenwoordig kun je in de boot informatietechnologie en sensoren gebruiken om de wedstrijd achteraf opnieuw te beleven en te analyseren. Tijdens onze 2- roeiwedstrijd in Hilversum hadden wij een GoPro camera, twee smartphones, een externe GPS en een Garmin smartwatch aan boord. De camera produceerde meer dan 100 minuten filmbeelden. Na thuiskomst knipte ik daar een aantal fragmenten uit. Die plakte ik aan elkaar en zette er een paar titels en een muziekje onder. Binnen een uur stond het vijfminuten-filmpje op YouTube.

Via de CrewNerd, Garmin en Strava apps kunnen wij onze prestaties evalueren. De overlay van snelheid (min/500m) en tempo (slagen/min) laat zien dat we een constante race hebben gevaren in licht oplopend tempo. Zijn we dan niet te voorzichtig van start gegaan? Het verloop van de hartslag geeft aan dat ik constant rond mijn omslagpunt zit, met een uitschieter aan het eind naar een hartslag van 193. Verklaart dat misschien mijn instorting na de finish? Op Strava kan ik onze tijd op basis van het wedstrijdsegment vergelijken met die van afgelopen jaren. Daaruit blijkt dat wij bijna een minuut sneller hebben geroeid dan voorgaande twee jaar.

De digitale transformatie gaat ook in de sport razendsnel. Binnen afzienbare tijd zit de technologie geïntegreerd in onze sportkleding. De camera’s zijn nu al uitgerust met GPS en aangesloten op slimme sensoren. Zo kun je informatie over snelheid, hoogte, hartslag en tempo integreren in de filmbeelden. Je kunt de camera ook al monteren in een drone die automatisch volgt. De beeldstabilisatie van moderne actiecamera’s is subliem en je kunt het filmen eenvoudig met je stem bedienen: “Hey GoPro, stop recording.”

Foto’s: Lars Veling (boven) en Mignon Goossens (galerij)

Boulevard of Broken Dreams

De overheid en commerciële ICT-bedrijven vormen al jaren een slecht huwelijk. ICT-bedrijven klagen over de voortschrijdende juridificering van de aanbestedingspraktijk. De overheid voelt zich volkomen afhankelijk van ICT-bedrijven, die de overheid voornamelijk als melkkoe gebruiken. Vraag opdrachtgevers binnen de overheid naar hun ervaringen met ICT-bedrijven en hun oordeel liegt er niet om:

  • De teleurstelling overheerst
  • Wij zien leveranciers als zakkenvullers
  • (Monopolie) positie leverancier bepaalt de samenwerking
  • Het valt in de praktijk altijd tegen en na de gunning zit je er aan vast

Een goede relatie is altijd gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Dat vertrouwen is beschaamd. ict-bedrijven mogen zich dit aantrekken. Zij hebben lang meer oog gehad voor (bescherming van) eigen omzet dan voor belangen van overheidsklanten. In reactie daarop zijn de aanbestedingsregels aangescherpt en hebben overheidsorganisaties contacten met leveranciers op een laag pitje gezet. Deze maatregelen werken veelal contraproductief. Hoe kunnen overheid en ICT-bedrijven beter samenwerken? Hoe kom je uit de kramp?

De sleutel bij het herwinnen van wederzijds vertrouwen ligt bij het bouwen van pre-competitieve relaties tussen overheid en bedrijven. Overheidsorganisaties kunnen zich daarbij oriënteren op de kennis en het aanbod van de markt en daar hun inkoopbeleid en aanbestedingen op afstemmen. Bedrijven kunnen de klantbehoefte achterhalen en hun verkoopkans inschatten en beïnvloeden. Bedrijven die voorafgaand aan een aanbesteding geen contact hebben gehad schatten hun winkans laag in en zullen de aanbesteding afkwalificeren. Overheidsorganisaties die leverancierscontacten mijden profiteren daardoor onvoldoende van marktwerking. Zij moeten rekening houden enkel aanbiedingen te krijgen van huisleveranciers  en werken zelf vendor lock-in in de hand.

Het zou helpen als overheidsorganisaties beter inzicht krijgen in belangen van ICT-bedrijven. Tijdens workshops leg ik uit hoe ICT-bedrijven werken. Waar worden zij op afgerekend en wat zijn hun drijfveren? Die elementen zijn bepalend voor het gedrag van ICT-bedrijven. Ik laat het dashboard van ICT-projecten van de Rijksoverheid zien: alle projecten staan op groen. Daarna toon ik het dashboard van dezelfde projecten van een ICT-bedrijf en bijna alle projecten staan op rood. Waar sturen ICT-bedrijven op? Welke onderdelen staan op rood? En waarom? De workshopdeelnemers zijn ambtenaren die al jarenlang opdrachten geven aan ICT-bedrijven, maar zij weten de antwoorden op die vragen meestal niet. Ik pleit voor meer openheid en transparantie tussen overheid en ICT-bedrijven. Door een beter wederzijds begrip kunnen cultuurverschillen makkelijker worden overbrugd.

Een van de cursisten had bij ICT-bedrijven de associatie: ‘boulevard of broken dreams’. Dat associeer ik op mijn beurt weer met de songtekst van het gelijknamige nummer van de Amerikaanse rockband Green Day: ‘Ik loop alleen. Ik loop alleen. Mijn schaduw is het enige dat langs me loopt’.

De overheid staat niet alleen en heeft de ICT-markt nodig. Laten overheid en ICT-bedrijven elkaar vasthouden om de grote uitdagingen op digitaal gebied aan te gaan. De ICT-markt is inmiddels volwassen en heeft de overheid veel te bieden.

Goed opdrachtgeverschap

Een succesvol ICT-project vergt een goed samenspel tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. De opdrachtgever moet de juiste condities scheppen om de opdrachtnemer optimaal te laten presteren. De opdrachtnemer moet kwaliteit op de eerste plaats zetten. Zowel opdrachtnemer als opdrachtgever moeten bereid zijn zich kwetsbaar op te stellen en streven naar een win-win relatie. Wederzijds vertrouwen is een belangrijke succesfactor.

Twaalf jaar geleden was ik betrokken bij één van de ambitieuze overheidsprojecten: het ontwikkelen van de ICT-infrastructuur voor een shared service van personeelsdiensten voor de rijksoverheid. Wij hadden de opdracht om de personeelsadministraties van alle ministeries op één platform te bundelen en daar zelfbedieningsfuncties aan toe te voegen. Maar het lukte in een jaar tijd niet om alle ministeries op één lijn te krijgen. Door gebrek aan wederzijds vertrouwen werd anderhalf jaar na de projectstart gezamenlijk overeengekomen het contract te ontbinden. Alle partijen zijn tekortgeschoten, maar na de scheiding toont de opdrachtgever nog weinig zelfreflectie. In een interview in Binnenlands Bestuur geeft hij de opdrachtnemer de schuld van de mislukte relatie:

“Helaas, het kunstje was voor hen moeilijker dan gedacht. Wij rekenden op hun massieve bijstand, maar die kwam niet terwijl de ontwikkelingskosten opliepen. We merkten dat wij het werk van die marktpartijen zaten te doen. De opdracht was om eerst de personeelsprocessen te standaardiseren zodat ze geautomatiseerd konden worden. We hadden gehoopt dat de marktpartijen wisten welke standaards gangbaar waren en hoe de organisatie daaraan kon worden aangepast. Maar we kwamen er achter dat we daar zelf meer verstand van hadden.”

De Algemene Rekenkamer constateerde tekortkomingen in het opdrachtgeverschap van de overheid. Die tekortkomingen werden snel gerepareerd. Er kwam een gefaseerde aanpak met een actieve rol van de ministeries en marktpartijen. De overheid maakte werk van de standaardisatie en ICT-bedrijven zorgden aansluitend voor implementatie van de systemen. Na een doorstart werd het project alsnog een succes, dankzij professioneel opdrachtgeverschap en goede samenwerking.

Vorige maand presenteerde de Studiegroep ‘Informatiesamenleving en Overheid’ een advies over het verbeteren van het functioneren van de digitale overheid. De studiegroep laat zich in het rapport kritisch uit over de afhankelijkheid van grote ICT-aanbieders. Die zou een belangrijke belemmering vormen voor verdere digitale transformatie. De voorzitter van de studiegroep hierover in iBestuur: “Dit rapport is geen pleidooi tegen uitbesteden. Maar wij zeggen wel dat we alleen dingen zouden moeten uitbesteden die we in principe ook zelf kunnen doen. Dat impliceert dat onze expertise tenminste gelijkwaardig moet zijn aan die van de markt.” Het is een opmerkelijke uitspraak die veel vragen oproept. Duidelijk is evenwel dat de overheid in deze meer afstand neemt van de markt en meer ontwikkelingen voor een digitale infrastructuur met eigen mensen wil gaan doen.

De voorgenomen wijze van doorontwikkeling van de digitale infrastructuur staat in schril contrast met de benadering die de overheid hanteert voor de inrichting van de fysieke infrastructuur. Daar wordt juist geïnvesteerd in verbetering van de relatie met de markt. Vertegenwoordigers van overheden, brancheorganisaties en bedrijven stelden gezamenlijk een Marktvisie op, gericht op samenwerking en wederzijds vertrouwen. De hiërarchische opdrachtgever-opdrachtnemer verhouding maakt plaats voor samenwerking in de keten op basis van gelijkwaardigheid en complementariteit, met ieder een eigen rol en verantwoordelijkheid. Het initiatief van Rijkswaterstaat getuigt van goed opdrachtgeverschap en verdient navolging in andere sectoren.

Transparency by Design

Zeven jaar geleden presenteerde president Obama zijn visie voor een open overheid. Met die openheid wordt beoogd het publieke vertrouwen te vergroten en innovatie te stimuleren. Innovatie gedijt het best in een open omgeving waarin gezamenlijk aan de basis wordt gewerkt aan het uitwerken van nieuwe ideeën. Dit wordt in de Verenigde Staten beleidsmatig gestimuleerd op basis van transparantie, participatie en samenwerking:

De overheid moet transparant zijn. Transparantie bevordert de controleerbaarheid en verschaft informatie aan burgers over wat hun regering doet. Het draait hierbij om het vrijgeven en benutten van overheidsdata. De VS maakt informatie snel openbaar in een vorm die publiekelijk gemakkelijk gevonden en gebruikt kan worden. Overheidsinstanties zetten moderne (internet)technologie in om gegevens over hun activiteiten en besluitvorming direct online beschikbaar te stellen.

De overheid moet participatief zijn. Publieke betrokkenheid vergroot de effectiviteit van de overheid en verbetert de kwaliteit van haar beslissingen. Kennis is wijd verspreid in de samenleving. Ambtenaren moeten daarvan kunnen profiteren en toegang krijgen tot deze kennis. Overheidsinstellingen bieden mogelijkheden aan burgers om deel te nemen aan beleidsvorming. De kennis die is vergaard vanuit de samenleving moeten  overheidsinstellingen benutten om de regering te ondersteunen en te versterken.

De overheid moet samenwerkingsgericht zijn. Samenwerking bevordert de betrokkenheid van de burgers bij de overheid. Overheidsinstellingen zetten innovatieve instrumenten, methoden en systemen in om de samenwerking op alle niveaus van de overheid en de regering met de non-profit organisaties, bedrijven en mensen in de particuliere sector te bevorderen.

De Digital Accountability and Transparency Act (DATA) uit 2014 werd met grote meerderheid goedgekeurd in de Senaat. Zowel Republikeinen als Democraten zien grote voordelen in het openbaar bestuur en het bedrijfsleven. Bedrijven worden gestimuleerd nieuwe diensten te ontwikkelen met overheidsdata als grondstof en via een open portaal kan eenieder overheidsbestedingen opvragen en controleren.

Nederland blijft ver achter bij de ontwikkelingen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk op het gebied van open data en transparantie. Vorig jaar stemde de Tweede Kamer in met een initiatief Wet open overheid (Woo) van de Kamerleden Voortman (GroenLinks) en Van Weyenberg (D66) als de opvolger van de Wet openbaarheid bestuur (Wob). De nieuwe wet moet de overheid dwingen opener te zijn. Openbaarheid van overheidsinformatie moet weer een recht worden. Het moet ook afgelopen zijn met het overmatig zwartlakken van zinnen in documenten. De Wet regelt een nieuw informatieregister met alle documenten die openbaar gemaakt kunnen worden.

Adviseurs van ABDTOPConsult voerden een quick scan uit naar de Woo en constateerden dat het voorliggende wetsvoorstel onuitvoerbaar is en tot hoge kosten leidt. De extra kosten worden geraamd op vele honderden miljoenen (mogelijk meer dan een miljard euro per jaar) als gevolg van duizenden extra ambtenaren die moeten worden ingezet om de wet te kunnen uitvoeren. De adviseurs waarschuwen ook voor de implementatierisico’s. De Woo vereist een ingrijpende cultuurverandering en heeft grote consequenties voor primaire werkprocessen en ICT. ‘Anders gezegd: de risico’s op een mislukking van de Woo zoals die nu voorligt, zijn te groot.’ concluderen de adviseurs.

Transparantie zit niet in de genen van de Nederlandse overheid. Daarbovenop vormen de gebrekkige informatiehuishouding en archivering bij de overheid een belemmering voor volledige openbaarmaking. De weg naar meer transparantie en openheid zal dus stapsgewijs moeten plaatsvinden. Een open overheid vereist een cultuur- en systeemverandering. Dit kan gerealiseerd worden door transparantie tijdens de ontwerpfase van vernieuwde processen en systemen in te bouwen.

Mensen leren, overheid en bedrijven niet

overheid

Dertig jaar automatiseringsbeleid van de Nederlandse overheid: wat waren de ambities en wat is daarvan terecht gekomen? Rob Meijer dook in geschiedenis en putte daarbij uit zijn rijke ervaring als onder meer hoofd van de afdeling voor Informatiebeleid van de VNG en als  eerste CIO van de Rijksoverheid. Ook vroeg hij betrokkenen uit de politiek, overheid en bedrijfsleven te reflecteren op de ontwikkelingen binnen de overheid. Zij gaven tot slot antwoord op zijn vraag of de overheid heeft geleerd op het terrein van IT.

Meijer’s persoonlijke terugblik op dertig jaar overheidsautomatisering is te lezen in zijn lezenswaardige boek ‘Terug in de toekomst’. Wij gaan terug naar het jaar 1988. Toen verscheen BIOS-1, de eerste grote nota over het automatiseringsbeleid van de overheid. De nota moest verbeteringen initiëren voor de grote problemen met complexe IT-projecten van de overheid uit die tijd. Destijds werden daarbij de volgende  knelpunten onderkend: ontbreken van voldoende kennis, onduidelijkheden over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden, onvoldoende beheersing van complexe informatiesystemen, onduidelijkheid over de wijze van doorberekening van kosten, ontbreken van een adequaat beveiligingsbeleid en ontbreken van informatiebepalingen in wet- en regelgeving. Vandaag de dag kampt de overheid nog met exact dezelfde problemen.

Een aantal mensen die afgelopen decennia hun stempel heeft gedrukt op het automatiseringsbeleid van de overheid blikt in het boek terug op de ontwikkelingen. Zo memoreert Jacob Kohnstamm zijn toespraak in 2014 voor het 100e partijcongres van D66 over hoe een partijcongres er over 50 jaar uit zou kunnen zien: “Ik had toen weinig tijd om dat goed voor te bereiden en greep terug op een oude toespraak die ik ooit als partijvoorzitter in 1983 had gehouden. Ik las die gewoon voor, inclusief de uitspraak dat er snel een integratie zou komen van computers, tv en telefonie. Congressen zouden nauwelijks meer nodig zijn. Besluitvorming zou – zo meldde ik toen – allemaal van huis uit te regelen zijn. Dit was voor die tijd nog ongehoord.”

Als vertegenwoordiger van het bedrijfsleven geef ik ook mijn visie in Meijer’s boek op basis van mijn ervaring van afgelopen dertig jaar met grote IT-projecten binnen de overheid. Ik herinner nog mijn eerste grote overheidsproject: ‘Verbetering Financieel Beheer’ bij de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Onderwijs in Groningen. Van overheidsfinanciën had ik geen kennis, maar die haalde ik op tijdens het project. Binnen twee jaar was ik een deskundige op het terrein van financieel beheer. Op basis van die kennis werd ik ingezet op projecten bij de ministeries van VROM, Verkeer en Waterstaat en Justitie. Hoewel de ministeries gezamenlijk één financieel systeem hadden kunnen ontwikkelen, ging ieder voor zich. Bij ieder ministerie werd een specifieke kas- verplichtingenadministratie als maatwerk ontwikkeld. Met een beroep op de eigen autonomie werden vervolgens ook voor de ondersteuning van generieke processen voor iedere gemeente, politiekorps, provincie en waterschap eigen (maatwerk)systemen gebouwd.

Ondanks alles heeft de digitalisering een grote vlucht genomen binnen de Nederlandse overheid. De meeste projecten werden succesvol afgesloten en ook de onderlinge samenwerking kwam op gang. Maar dat haalde zelden het nieuws. Alle aandacht van de media ging uit naar de veel te ambitieuze projecten die uit de bocht vlogen en veel te laat werden bijgestuurd. Een parlementaire commissie onder leiding van Ton Elias onderzocht tien projecten die tien jaar daarvoor fout waren gelopen. De commissie trok daaruit de conclusie dat de overheid jaarlijks één tot vijf miljard euro verspilt met IT-projecten. Dat is zeer onwaarschijnlijk, want de overheid geeft nog geen miljard euro per jaar uit aan IT-projecten. Van de tien miljard die de overheid jaarlijks naar schatting aan IT uitgeeft gaat minstens driekwart op aan het in stand houden van de systemen. Het zijn de transactiesystemen, die veelal als maatwerk in de jaren tachtig en negentig zijn ontwikkeld, die een steeds groter risico vormen. De legacy is een erfenis voortkomend uit het maakbaarheidsideaal van de vorige eeuw. De beheerkosten van de legacy-systemen rijzen inmiddels de pan uit. Vijf jaar geleden pleitte ik in het fd voor een ‘deltaplan voor IT van de overheid‘. Overheid en bedrijfsleven zouden daarvoor de handen ineen moeten slaan. Hopelijk moet er niet eerst weer een ramp gebeuren voordat er gecoördineerde actie wordt ondernomen.

Wat leert de overheid op het terrein van IT? Meijer citeert voormalig topambtenaar Koos van der Steenhoven: “Nog steeds worden dezelfde fouten gemaakt. Zo is het PGB-drama weer een voorbeeld dat je een organisatie als de SVB, die gewend is aan bulkverwerking zoals de AOW en kinderbijslag, nu opeens inzet voor maatwerkregelingen, wat de PGB nu eenmaal is.” Per saldo hebben de politiek, de overheid en het bedrijfsleven weinig geleerd van dertig jaar automatiseringsbeleid van de Nederlandse overheid. Het zijn de mensen die individueel en collectief leren. Hoe groter het verloop (zoals in de Tweede Kamer) des te geringer het lerend vermogen.

Gedigitaliseerd vertrouwen

touwtje

Het vertrouwen in bestuurders van pensioenfondsen, woningbouwcorporaties, banken en verzekeraars is gedaald naar een absoluut dieptepunt. Burgers vertrouwen de politiek niet meer en keren zich af van traditionele politieke partijen. De overheid vertrouwt de burgers niet en regelt alles dicht. Als we elkaar niet meer vertrouwen, wie vertrouwen we dan nog wel? Computers misschien?

Bij De Wereld Draait Door keek Jan Terlouw terug op de ontwikkelingen van de laatste decennia. Hij legde daarin de nadruk op het vertrouwen dat we afgelopen jaren kwijt zijn geraakt. “Wat ik vroeger met een handdruk bekrachtigde, dat gaat nu met vijf contracten” en “Als ik nu een brug moet bouwen dan heb ik meer juristen nodig dan ingenieurs” tekende Terlouw recent op van ondernemers. Waar is het touwtje gebleven dat in de vijftiger jaren  uit elke brievenbussen hing, vroeg Terlouw zich af. Het verdwenen touwtje gebruikte hij als metafoor voor het afnemend vertrouwen in onze samenleving.

In de laatste decennia is veel veranderd. De postbode bezorgt nauwelijks nog brieven en postkaartjes. De melkboer rijdt niet meer door de straat. Kinderen spelen niet meer buiten. De fysieke wereld verschuift naar de virtuele wereld. Wij communiceren via het internet en doen er onze bankzaken, onze inkopen en andere transacties. Meer dan de helft van de transacties tussen overheid en burgers loopt inmiddels via het digitale kanaal. Het vertrouwen in digitale diensten lijkt groot. Velen zijn zich onvoldoende bewust van de bedreigingen op het internet. Ondertussen vissen hackers en cybercriminelen volledig onzichtbaar naar de vele loshangende touwtjes in ons onveilige internet.

Afgelopen jaar is een ware hype ontstaan rond blockchain. Deze technologie achter bijvoorbeeld de bitcoin wordt beschouwd als de grootste innovatie sinds het internet. Mensen kunnen daardoor geld naar elkaar overmaken zonder tussenkomst van een bank. Deskundigen beweren dat blockchain het onderling vertrouwen digitaliseert. De mogelijkheden lijken onbegrensd. Transacties via derde partijen kunnen we voortaan via blockchain zonder tussenkomst digitaliseren. Derde partijen – zoals overheid, banken en notaris – voor het waarborgen van vertrouwen worden daardoor overbodig.

De blockchain technologie is veelbelovend. Het kan transacties goedkoper, efficiënter en veiliger maken. Wij moeten ons evenwel bewust blijven van de (on)volwassenheid van nieuwe technologie en de (on)veiligheid van het verkeer op internet. Er lijkt nu een blind vertrouwen in nieuwe technologie. Biedt digitalisering dan de oplossing voor het groeiende wantrouwen in onze samenleving? Blockchain kan een aanjager zijn om het onderlinge vertrouwen te bevorderen, maar vertrouwen is voornamelijk mensenwerk. Vertrouwen is het cement dat de samenleving bindt, door geloof dat de ander eerlijk is en het goede zal doen op een manier die ons niet zal benadelen.