Jean Henry Guillaume Boissevain: jurist en publicist

Familie Jean Henri Guillaume Boissevain, zilveren bruiloft in 1868 Wicher, Jean Henri Guillaume, Jelle, Anna Sara Wichers, Willem, Hugo, François, Eduard, Margot en Henri

Jean Henry Guillaume Boissevain (Amsterdam 30-5-1817 – Arnhem 29-4-1870) is zoon van Henry Jean Boissevain en Aleida Margaretha Reiners. Hij huwde 6-7-1843 met Anna Sara Wichers. Uit dit huwelijk werden, behalve 2 zoons die jong overleden, 7 zoons en 2 dochters geboren.

Boissevain kwam uit een hugenotenfamilie, die zich had toegelegd op de handel en aan het einde van de achttiende eeuw tot welstand was gekomen. Zijn oom Daniel Boissevain en zijn neef GideonJeremie Boissevain waren vooraanstaande kooplieden en reders, en de laatste was al vóór 1848 lid van de Amsterdamse raad. Net als de Van Eeghens en de De Clercqs – aan wie zij waren geparenteerd – behoorden de Boissevains tot de zogeheten ‘tweede coterie’ na de oude Amsterdamse regentenfamilies. Boissevain was het vierde kind uit een gezin van zes kinderen, maar verloor al op vijfjarige leeftijd zijn vader. Vanaf 1836 studeerde hij rechten te Leiden, waar hij op 20 juni 1840 bij prof. H.W. Tydeman promoveerde op een dissertatie over geldlening en rente, De foenore et usuris, secundum Codicis nostri praecepta . Het was echter Thorbecke die op zijn academische vorming en politiek leven de grootste invloed heeft uitgeoefend. Evenals zijn studiegenoot W.H. Dullert, de latere liberale Kamervoorzitter, vestigde hij zich als advocaat te Arnhem.

Bekendheid als ultraliberaal publicist kreeg Boissevain tijdens de beroering rond de leningwet van minister van Financiën F.A. van Hall in februari 1844. Zijn in dat jaar gepubliceerde brochure Wat blijft ons Nederlanders bij de maatregelen der regering te doen over? riep in felle bewoordingen op tot nationale regeneratie en verjonging. De financiële crisis zag Boissevain als symptoom van Nederlands malaise, die primair te wijten was aan de versleten en ondoelmatige staatsinrichting en aan de parasiterende notabelenelite. Alleen een radicale grondwetsherziening en drastische bezuiniging – zo wilde Boissevain onder andere de elf provincies vervangen door vijf departementen en de voornaamste accijnzen en het staande leger afschaffen – zouden het voortbestaan van Nederland als zelfstandige natie kunnen verzekeren. Boissevain was daarmee op dat moment een stuk radicaler dan zijn leermeester Thorbecke.

Kort daarna werd Boissevain medewerker aan De Staatkundige Tooverlantaarn of Utopisch-Politische Snelwagen , een soort maandelijks nevenorgaan (juli 1845 – juni 1846) van de oppositionele Kamper Courant , uitgegeven door K. van Hulst, die al sinds 1840 ijverde voor grondwetsherziening en zich daarbij vooral tot het grote publiek richtte. Het scherpe artikel ‘Kritiek der Troonrede’ van 20 oktober 1845 leidde tot vervolging van Van Hulst, die wegens aantasting van de persoon en het gezag des Konings tot twee jaar gevangenisstraf werd veroordeeld, hoewel zijn verdediger Boissevain tijdens het proces verklaarde zelf het aanstootgevende artikel te hebben geschreven. Van Hulst werd daardoor in de ogen van het publiek een martelaar voor de persvrijheid, te meer daar zijn collega C.A. Thieme, de uitgever van de Arnhemsche Courant , in een soortgelijke zaak door de Hoge Raad enkele dagen eerder was vrijgesproken. Deze drukpersvervolgingen waren van belang, omdat de ministeriële verantwoordelijkheid voor de troonrede in het geding was. Zij gaven aanleiding tot een principiële discussie, waaraan ook Boissevain in 1847 een staatsrechtelijke verhandeling wijdde, Proeve van onderzoek naar den aard der koninklijke onschendbaarheid , na reeds een jaar eerder zijn Pleitredes – waarvoor hij Thorbecke had geconsulteerd – afzonderlijk te hebben uitgegeven.

Vermoedelijk is Boissevain in 1846 of 1847 medewerker geworden van de Arnhemsche Courant , die sinds 1842 onder leiding stond van Thorbeckes vertrouweling N. Olivier. Toen in de zomer van 1848 het Limburgse separatisme oplaaide en de Duitse Bond aanspraak maakte op het hertogdom, trok Boissevain de aandacht met zijn geschrift De Limburgsche kwestie , waarin hij een krachtig pleidooi hield voor afstand van Limburg, zowel om politieke en strategische als om financieel-economische redenen: een dreigende inkomstenbelasting kon op die manier immers worden vermeden en de Nederlandse handel zou profiteren van een betere verstandhouding met Duitsland.

Na 1848 spande Boissevain zich vooral in voor het nieuwe constitutionele bestel door in tien afleveringen Staatsregt van Nederland , verschenen tussen 1850 en 1864, de grondwet en de voornaamste organieke wetten, zoals de kieswet en de gemeentewet, voor het publiek uit te leggen en toegankelijk te maken. Daarnaast was hij de drijvende kracht achter de in augustus 1850 opgerichte Vrijzinnige Kiezers-Vereeniging, die in Arnhem het politieke leven beheerste, al werden de liberalen bij de kamerverkiezingen tot 1866 steevast overstemd door de behoudende en protestantse kiezers van de Veluwe. Voor de buitendistricten was een man als Boissevain, die onder zijn vrienden ‘de Booze’ of ‘Satan’ werd genoemd, volstrekt onaanvaardbaar, zoals bleek bij de tussentijdse verkiezing van 1849, toen hij kansloos werd verslagen door E.W. van Dam van Isselt.

Sinds 1854 was Boissevain hoofdredacteur van de Arnhemsche Courant . Deze was na de val van het ministerie-Thorbecke ten gevolge van de Aprilbeweging in 1853 met financiële steun van de belangrijkste liberale voormannen gereorganiseerd. Daarbij had D.A. Thieme de zakelijke leiding in handen gekregen en waren de kamerleden Dullert en J.P.P. van Zuylen van Nijevelt als toezichthouders aangewezen. Ook schreef Boissevain de hoofdartikelen in De IJsselbode , een in Deventer, Zwolle, Zutphen en Apeldoorn verschijnende periodiek, die door zijn lage prijs een breed publiek bereikte. Na het ter ziele gaan van het thorbeckiaanse blad De Grondwet in 1855 fungeerde de Arnhemsche Courant als hoofdorgaan van de ‘constitutionele partij’. Omstreeks 1860 is de hoofdredactie overgegaan op W.C.D. Olivier, vermoedelijk omdat Boissevain tijdens de formatie van het gematigd-liberale ‘fusie’-kabinet-Rochussen-Van Bosse in maart 1858 niet adequaat had gereageerd. Daarmee was Boissevains landelijke rol uitgespeeld. Wel bleef hij een sleutelfiguur in de Arnhemse politiek: in 1860 werd hij in de Provinciale Staten van Gelderland gekozen en in 1867 in de gemeenteraad. Sinds juni 1852 was hij bovendien secretaris van de Arnhemse Kamer van Koophandel en Fabrieken. Deze functies oefende hij uit tot zijn dood in 1870.

Boissevain was een onverschrokken voorvechter van de liberale zaak vóór en na 1848, die veel heeft bijgedragen tot de verbreiding van liberale denkbeelden onder een breed publiek en met grote energie de praktische organisatie van het liberalisme op plaatselijk niveau ter hand nam. Hij was daarmee een van de belangrijkste figuren op het tweede plan, die van zo grote betekenis zijn geweest voor het wortel schieten van het liberale bestel van 1848

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties: Het regerings-ontwerp van gewijzigde Grondwet, vergeleken met het ontwerp der commissie en de bestaande Grondwet… (1 aflevering verschenen; Tiel, 1848); Wat is plaatselijke belasting? (Tiel, 1852); De wet op de onteigening ten algemeenen nutte van den 28 Augustus 1851, in hare beginselen en strekking toegelicht (Arnhem, 1853); De gids voor de provinciale en plaatselijke besturen. Tijdschrift voor het staatsregt in Nederland (2 jaargangen verschenen; Tiel, 1853).

L: W.P. Sautijn Kluit, ‘De Staatkundige Tooverlantaarn of Utopisch-Politische Snelwagen’, in De Nederlandsche Spectator 28 (1883) 238-240, 247-249, 252-253, 264-265, 270-271 en 279-281; idem, Arnhemsche Couranten[Bijdragen tot de geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel V, 1] (Amsterdam, 1892); Ch. Boissevain, Onze voortrekkers. De geschiedenis van eenige leden der familie Boissevain (Amsterdam, 1906) 437-439; M.A. Kok en Carina Scheffers-van Lingen, ‘De belangrijkste personen achter de Arnhemsche Courant in de jaren 1837-1850…’, in G.A.M. Beekelaar [e.a.], in Maar wat is het toch voor eene courant? De Arnhemsche? Opstellen over de Arnhemsche Courant 1830-1850 (Arnhem, 1981) 298-303.

Auteur: J.H. von Santen

Overgenomen van: Resources Huygens ING

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.