Telefonisch contact met Adolphe Boissevain

nl266129

De contracten en correspondentie tussen Athanase Adolphe Henri Boissevain (1843-1921) en de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (MBTM) geven een beeld van de aanleg van een unieke telefoonverbinding “buitennetaansluiting”, die de NBTM voor Adolphe aanlegde tussen zijn huis Prins Hendriksoord te Lage Vuursche en de gemeente Amsterdam. Maar het gaat ook om de perikelen van een welgestelde particulier in de periode, dat de Staat steeds meer de telefoondienst overneemt van particuliere telefoonmaatschappijen.

Uit de vinding van Alexander Bell, het telefoonhoorntje uit 1876, was door toevoeging van een microfoon, een bel, een dynamo en enkele andere zaken een toestel gegroeid, dat ten algemene nutte kon worden geëxploiteerd. De eerste telefooncentrale werd niet lang daarna te New Haven (Connecticut) in de Verenigde Staten in gebruik genomen. De Nederlandse Staat zag de voordelen van dit apparaat eigenlijk alleen in het doorspreken van de al langer bestaande telegrammen. In de exploitatie van zoiets als een telefoondienst zag de overheid daarbij geen taak voor zichzelf. Particuliere initiatieven daartoe – onder concessie – lieten niet lang op zich wachten en Amsterdam beet de spits af. Uit een aantal aanvragen om een concessie voor het inrichten van een telefoonnet koos de gemeenteraad de International Bell Telephone Company als de meest geschikte voor de exploitatie. Deze droeg de concessies over aan de NV Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (NBTM), die intussen voor het aanleggen en beheren van telefoonnet­ten was opgericht. Op 1 juni 1881 werd als eerste in Nederland het Amsterdamse net in gebruik genomen, met 49 aangeslotenen. Later ontstonden ook in andere plaatsen particuliere maatschappijen.

Mensen uit de wereld van handel en industrie, die buiten het concessiegebied van de lokale telefoonex­ploitant woonden, wensten echter ook in de telefoongemeenschap te worden opgenomen. Dit kon slechts door het maken van dikwijls lange verbindingen over het grondgebied van een aantal gemeentes en particulieren. Daarvoor was toestemming nodig van de betrokkenen en de nationale overheid. Het waren zgn. buitennetaansluitingen, dus geen verbindingen tussen lokale netten met een interlokaal karakter (daarvan was pas vanaf 1887 sprake). Bij een buiten-netaansluiting is sprake van een abonnee, die buiten het gebied van zijn lokale telefoonnet woont. Tot de eerste van deze lange verbindingen met het Amsterdamse net behoort die van A.A.H. Boissevain te Prins Hendrik­soord.

In 1885 toont de 43-jarige Adolphe belangstelling voor een telefoonaansluiting in zijn huis. Zijn drukke werkzaamheden in binnen- en buitenland liggen hieraan ten grondslag. In december van het jaar krijgt de NBTM toestemming van de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid om de lijn aan te leggen. De NBTM moet hiervoor jaarlijks ƒ 100,- aan de Staat betalen. In juni 1886 is het contract tussen de NBTM en Boissevain rond. Adolphe krijgt in zijn huis een Bell-telefoon en Blake-overbrenger met trekapparaat. De overbrenger is genoemd naar Francis Blake, die een verbeterde versie van de eerste echte “microfoon” ontwikkelde en die op grote schaal in de eerste Nederlandse netten wordt toegepast.

Adolphe huurt de instrumenten, mag ze alleen ten eigen nutte gebruiken en moet er als een goed huisvader voor zorgen. De NBTM zorgt voor de verbinding met Amsterdam, het goede functioneren ervan en het onderhoud aan de toestellen in Prins Hendriksoord. Mocht de verbinding onverhoopt langer dan een maand niet functioneren, dan kan Adolphe 1/12 van het door hem verschuldigde bedrag terug ontvangen. Ze sluiten een contract voor 10 jaar af voor een bedrag van ƒ 700,- per jaar. In 1896 loopt het contract dus af. Dit is hetzelfde jaar waarin ook de concessie (om het lokale net te exploiteren) van de gemeente Amsterdam aan de NBTM afloopt.

Palen en dradenbundels: twee draden per verbinding zijn nodig om een optimale kwaliteit te bereiken. Deze lopen langs straten, spoor- en waterwegen. De plaatselijke lijnen waaieren in grote getale uit van de zgn. kooipalen en de op de daken van de huizen geplaatste dakstellingen. In veel gevallen is de wirwar zo groot, dat het geheel op een dicht spinneweb leek. Daarvan is in 1886 in Lage Vuursche natuurlijk nog geen sprake, maar de verbinding met Adolphe raakt zijn buurman wel. En dat is niet de minste: jhr mr P.J. Bosch van Drakestein, commissaris van de koning in Noord-Brabant en eigenaar van het naastgelegen landgoed Drakestein. De NBTM sluit met hem een contract voor het plaatsen van telefoonpalen op zijn landgoed ten behoeve van de verbinding met Prins Hendriksoord. Om de 60 meter komt er een paal te staan, waarvoor Bosch van Drakestein de lokaties moet aanwijzen. Jaarlijks ontvangt hij hiervoor van Boissevain een vergoeding van ƒ 100,-. Mocht de jonkheer echter ooit zelf ook een telefoonaansluiting willen hebben, dan kan hij gratis “aanhaken”. De door hem te ontvangen vergoeding van ƒ 100,- voor Adolphe’s palen vervalt dan wel!

De telefoon wordt populairder en profijtelijker in Nederland. Steeds meer beginnen de lokale en nationale overheden interesse te tonen in het zelf exploiteren van de netten. Dit gebeurt ook met het lokale telefoonnet van Amsterdam, dat in 1896 door de gemeente wordt overgenomen. Een jaar later neemt het Rijk het interlokale net over, waardoor de Rijkstelefoondienst ontstaat. Het is het jaar, waarin de 54-jarige Adolphe toetreedt tot het bestuur van het Burgerziekenhuis. Zijn dochter Gerardine, gehuwd met de Amsterdamse assuradeur Gerrit van der Aa en wonend in “Zomerlust” te Hilversum, krijgt in 1898 een telefoonaansluiting voor niet-openbaar gebruik met Prins Hendrikoord. Een belangrijk feit in de nieuwe eeuw is het in werking treden van de Telegraaf en Telefoonwet 1904. Deze wet geeft het Rijk meer armslag in de exploitatie van de telefonie, die in 1910 voor het eerst zelfs een batig saldo oplevert.

In 1918 wordt Adolphe het slachtoffer van alle veranderingen. Vijf jaar eerder is Drakestein – via de palen van Adolphe – aangesloten op het telefoonnet en volgens afspraak zou die aansluiting gratis zijn. Daarmee is de jaarlijks door Adolphe te betalen vergoeding van ƒ 100,-, voor de op zijn buurmnans landgoed geplaatste telefoonpalen, vervallen. Maar eind 1916 wordt er een Koninklijk Besluit van kracht, dat geen gratis aansluitingen meer toelaat. Bosch van Drakestein moet betalen en doet dat ook. Maar als compensatie eist hij nu ƒ 132,- per jaar vergoeding van Boissevain voor de op zijn landgoed geplaatste palen! In een pittige brief aan de directeur-generaal der Posterijen en Telegrafie laat Adolphe weten, dat dit geheel in tegenspraak is met de destijds gemaakte afspraken en dat hij hieraan niet tegemoet wenst te komen. Het antwoord van de minister bevestigt het tijdsbeeld. De snelle ontwikkelingen in het telefoonbedrijf in de afgelopen decennia hebben de oude afspraken over de private buitennetaansluiting van het lokale telefoonbedrijf NBTM achterhaald. De verbinding tussen Prins Hendriksoord en Amsterdam vindt tegenwoordig plaats via het interlokale telefoonnet en daarvoor moet het interlokale tarief worden betaald. Adolphe Boissevain is zijn exclusieve recht op een eigen telefoonverbinding kwijt en moet meegaan met de regels die gelden voor de vele duizenden die inmiddels ook een telefoonaansluiting hebben.

Charles F.C.G. Boissevain

BRONNEN:

  • Nederlands Patriciaat, 1988 (= NP);
  • Honderd jaar telefoon, 1881 – 1981;
  • Contracten en correspondentie met A.A.H. Boissevain (1886 – 1921).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s