dr. Mia Boissevain: dierkundige en feministe

Maria (Mia) Boissevain (1878-1959)

Maria (Mia) Boissevain (1878-1959)

Maria (Mia) Boissevain (1878 – 1959) was betrokken bij de strijd om het vrouwenkiesrecht. Zij kreeg publieke bekendheid door haar optreden als voorzitster van het comité, dat de zeer succesvolle tentoonstelling ‘De Vrouw 1813-1913’ organiseerde. Mia heeft in 1915 in een manuscript onder de titel ‘Een Amsterdamsche familie’ haar familie en sociale omgeving en haar leven tot dan toe beschreven.

De jongste van de Jantjes

In Amsterdam worden de twee grote families Boissevain met nazaten van Gideon Jeremie door bekenden aangeduid als de Jantjes en de Charles-tjes, verwijzend naar de namen van de vaders. Jan Boissevain is getrouwd met een van de zusjes Brugmans: Petronella Gerharda Johanna (1838-1905) dochter van stadsadvocaat Mr. A. Brugmans. Bij de Jantjes wordt op 8 april 1878 het laatste en negende kind geboren: Maria Boissevain. Ze wordt van jongsaf aan Mia genoemd. Mia’s nanny Annie is de zuster van eveneens Engels sprekende Polly, die ten huize van haar oom Charles Boissevain en tante Emily Héloïse MacDonnell de scepter zwaait over de kinderkamer. Er is verder een huisknecht Jannes, een keukenmeid en een huishoudster Sophie. Het gezin woont pas sinds het jaar voor Mia’s geboorte op de Kloveniersburgwal 74, een dubbel herenhuis. Aan de ene kant van de stoep zijn de drie ramen van de zonnige voorkamer, aan de andere kant nog twee ramen. Een brede gang komt uit op een binnenplaatsje en een kleine tuin, met de keuken links naast het eind van de gang en rechts de eetkamer. De binnenplaats grenst aan twee kanten aan het Universiteitsgebouw aan de Oudemanhuispoort. Vader Jan is reder en actief in allerlei besturen. Er zijn vaak gasten, zoals kapiteins, die hun schip behouden thuisgebracht hadden en gasten uit de Kaapkolonie, Engelsen, Schotten, Ieren en Canadezen.

jan boissevain

Het gezin wordt door anderen beschreven als een groot en woelig gezin. Als Mia geboren wordt, variëren de leeftijden van de overige kinderen van 15 tot 2 jaar. Bij de voordeur hing een groot bord met de namen van de kinderen en daarachter bordjes: uit of thuis. Toen Romé, die de tweede vrouw van Wally zou worden, in 1913 voor het eerst over de Jantjes hoorde, was het de opmerking: ‘O! de Boissevains, een énige familie. Aan de ene kant van de tafel gooien ze met roomsoezen, aan de andere kant praten ze over Plato. ’ De spelletjes van de familie hebben ook niveau. Romé geeft een voorbeeld van een spelletje Raad eens wat ik in gedachten heb? Is het een delfstof of iets levends, etc.? Daarbij was de oplossing een keer: de dolk die Othello zou hebben gebruikt om Desdemona te doden, als hij het niet met een kussen gedaan had.

Thuis op de Kloveniersburgwal

De roomsoezen suggereren meer luxe dan er was. De familie leeft relatief op ruime voet en later ook wel meer in weelde, maar in het huishouden werd de uiterste zuinigheid betracht. Het huis was zeer eenvoudig ingericht, zonder dure meubels of schilderijen. Moeder heeft natuurlijk wel een prachtige japon om uit te gaan, maar jassen van de kinderen worden verlengd en gekeerd, sokken gestopt. Kleren van oudere kinderen worden afgedragen door de jongere. Bij de maaltijd mocht je niet meer dan drie boterhammen eten, waarvan alleen de eerste twee met beleg. Als er geld over is, geeft men het liever aan mensen die het meer nodig hebben. Mevrouw Boissevain-Brugmans ontvangt op maandagochtend een hele stoet armlastige vrouwtjes en andere personen zonder inkomen en deelde turfkaarten, voedsel en eventueel naaiwerk uit. Mia’s broer Wally (1876), het achtste kind van de Jantjes, vertelde later aan zijn kinderen hoe zijn vader met de kleine Mia aan het ontbijt aardbeien at: ‘Een kleintje voor Pepa, een kokkert voor Mia.’ Nichtje Hester, het vijfde kind van oom Charles, herinnerde zich dat ze met Mia uit het raam van het huis van de Jantjes naar het boeiende uitzicht stond te kijken, toen ‘o wonder, tante Nella uit huis naar de boot stapte, pal voor het huis, en Jannes den Beste volgde met vele dekens en voedsel. Tante Nella verdween in ’t vooronder. Wat een voedsel voor de verbeelding van een 4- en 8-jarige!’ In het betreffende legschip, dat gebruikt werd voor laden en lossen, woonde een schipper met een groot aantal kinderen, waar de moeder van Mia zich regelmatig om bekommerde.

Spelen na schooltijd

Hester zat in Amsterdam op een school naast die van Matthijs, het vijfde kind van de Jantjes en ging een tijdlang lunchen bij de familie op de Kloveniersburgwal. Dan liep ze met Thijs ‘door de Oudemanhuispoort, waar zo’n mysterieus winkeltje was, waar ‘n helder belletje rinkelde als Thijs de deur opendeed en dan kocht hij dan een groot groenig stuk sucade, waarvan hij gretig at en soms, genereus, een homp bewaarde voor de kleintjes: Wally en Mia!’ Ze herinnerde zich Mia uit die tijd als een klein donker meisje. Ook nichtje Hilda, het zevende kind van oom Charles kwam vaak over de vloer. Zij herinnerde zich vooral de verkleedkist met daarin verrukkelijke kleren, waarschijnlijk oude hofjaponnen van de moeder en grootmoeder van Mia. Ze verkleedden zich vaak en speelden charades. Wally vertelde Romé later: ‘Als ik uit school kwam, holde ik naar binnen, dan van het plat van de keuken naar het dak van één van de Universiteitsgebouwen. Mia en haar vriendin Sisi zaten daar al.’ De kinderen keken soms door de ramen de kamers van de universiteit binnen, terwijl de professoren college stonden te geven. Maar ze keken ook vaak naar wat zich afspeelde in de huizen van de Slijkstraat, waaronder ‘kloppartijen gepaard met scheldwoorden uit de bezieling van het ogenblik geboren. ’ Daar deden ze wijselijk geen verslag van in huis.

Familie van Jan Boissevain met Mia, Walrave, Nella, An, Thijs, Heleen, Charles Daniël Walrave , Li, Aat van Hall, Wil de Vos, Sissy Blijdenstein en Gi den Tex

Teylingerbosch

In 1883, als Mia nog maar vijf jaar is, ontdekt vader Jan dat ‘Teylingerbosch’ leeg staat. Het is een huis aan het eind van een brede beukenlaan, behorend bij het landgoed De Vogelenzang, nabij Haarlem. De Jantjes brachten gedurende tien jaar elk jaar van begin mei tot eind september de zomer op Teylingerbosch door. Het is een eldorado voor de kinderen; ze kunnen veel buiten spelen en Mia geniet er intens van. Voor het huis staan twee enorme lindes, die heerlijk ruiken en zomers gonzen van de bijen. De stam van de bomen is begroeid met witte klimrozen die de hele zomer bloeien. Er is een bloementuin. De sloten om het terrein zitten vol leven. In de weilanden en in het bos zitten talloze soorten vogels. In het bos zijn paddestoelen en mossen en in de duinen leert Mia allerlei soorten planten kennen, typerend voor droge duinpannen of vochtige duinvalleien. Het is nog geen waterwingebied. An en Mia gaan soms met manden en proviand naar het ‘Paradijs’, een plek ver weg in de duinen waar nog een oude wel is. Ze kamperen dan onder een grote vlier. Ze plukken bosaardbeitjes en komen thuis met een rijke oogst aan bramen en duindoorn, duindistels en doosjes met harige rupsen.

Nichtjes en neefjes

Nichtje Hester herinnerde zich decennia later nog de vele wilde avonturen op Teylingerbosch. Ze vond An, het zesde kind van de Jantjes, en Maria ‘heldinnen in het hanteren van al die glibberige diertjes uit de sloot, en in ’t springen over sloten! Meestal viel er een in – altijd de schuld van de polsstok!’ Als Hester dan in Zandvoort bij de Charles-tjes thuiskwam kreeg ze een standje van Polly: ‘Well, I declare, you always come back with dirty, torn or wet clothes!’ Ook nichtje Hilda bewaarde hier goede herinneringen aan: duinwandelingen, door een gat in de heg, snoepen in de moestuin en dat slootje springen. Ze was een keer over het weiland te ver doorgelopen. De sloot was daar erg breed en er stormden koeien op haar af. Olga, de zus van Hilda en Mia riepen aan de overkant: ‘Spring erin, spring erin’, wat Hilda ook dadelijk deed. Het snoepen illustreerde Mia later zelf ook nog eens aan schoonzus Romé bij een bezoek aan Teylingerbosch. Ze klom plotseling op een steen en reikte over een oude muur: ‘Zie je, zo plukte ik de rijpe morellen uit de moestuin.’ De familie Den Tex, met tante Hester, de tweelingzuster van oom Charles, kwam in de Pinkstervakantie logeren. Neefje Godfried herinnerde zich dat Mia zo aardig was om samen met hem – als destijds vrij doof en daardoor vrij saai neefje als hekkensluiters mee te wandelen achter een groot groep vrolijk pratende familieleden.

Lagere school

Op een dag in september is het uit met de pret en gaat Mia voor het eerst naar een lagere school aan het Frederiksplein. Ze vindt naar school gaan niet zo leuk en ze heeft moeite met de manier waarop standsverschillen een rol spelen. Het jaar daarop gaat ze naar een particuliere jongens- en meisjesschool, die ze bepaald leuker vindt. Ze wordt een bengel en is haantje de voorste bij spelletjes. Qua leerprestaties behoorde ze waarschijnlijk tot de goede maar niet uitstekende leerlingen. De laatste jaren van de school had ze middelmatige onderwijzers en het laatste jaar vond ze ronduit onaangenaam, ook vanwege de spanningen tussen de beginnende pubers.

Middelbare school

Vervolgens gaat Mia vijf jaar naar de Middelbare School voor meisjes. De school was gevestigd in een van de mooie huizen aan de Heerengracht nabij de Vijzelstraat en had de bijnaam ‘gouden meisjesschool’. Deze was opgericht door een groep vermogende Amsterdammers, die extra goed onderwijs voor hun dochters wensten. Naast de school hadden de meeste meisjes nog piano-, zang- of andere extra lessen, gymnastiek- en godsdienstles. Mia had ook pianoles en ging naar catechisatie ten huize van de dominee. Daarbij zaten nog zo’n dertig andere jonge meisjes, waaronder meisjes die al een betrekking hadden als dienstbode. Over die schooljaren had Mia gemengde gevoelens: te weinig vrijheid, huiswerk, extra lessen, piano studeren en ander verplichtingen maakten vooral dat ze erg verlangde naar de tijd dat ze de schooldeur voor goed achter zich dicht kon doen. Ze verbeeldde zich dat er daarna een gouden tijd zou aanbreken.

Van school af

Het eerste jaar (1894-95) dat Mia, 16-17 jaar oud, van school af is, loopt ze zich vreselijk te vervelen. Van haar zeven broers en zusters zijn twee zussen verloofd, haar oudste broer Charles Daniël Walrave is al een tijd het huis uit en woont in Montreal, haar broer Matthijs heeft een baan als advocaat in Amsterdam en haar jongste broer Walrave is voor drie jaar naar Indië vertrokken. Twee van haar vriendinnen zijn naar Frankrijk om de taal te leren spreken. Mia volgt Franse conversatieles, omdat ze dat ondanks zeven jaar onderwijs niet behoorlijk kan spreken. Ze doet wat huishoudelijk werk en krijgt wat paardrijlessen. Ze leest van alles en nog wat, waaronder van begin tot eind alle ingebonden jaargangen van ‘De Gids’, die in haar vaders boekenkast stonden. Mia’s oudste zuster Elisabeth houdt zich bezig met maatschappelijk werk en armenzorg en is onderdirectrice van de Stichting ‘Ons Huis’. Ze zou later directrice van het Opleidingsinstituut voor Sociale Arbeid worden. Mia gaat vaak met haar zuster mee en helpt een handje, maar dat soort werk gaat haar niet erg goed af en het inspireert haar niet. Ze wordt er bijna depressief van getuige haar latere opmerkingen dat ze in die tijd ’s morgens ‘de wereld loodzwaar op mij voelde drukken – alles leek mij een druppel in de oceaan, ik zag geen hefboom om mij op te werken of tot een besluit te komen.’

Botaniecollege

De lethargie is afgelopen als ze een keer met haar ruim zes jaar oudere zuster Anna Maria meegaat naar een botaniecollege van Hugo de Vries. An had elders in den lande een tijd een huisarts vergezeld op zijn huisbezoeken en min of meer als doktersassistente gefunctioneerd. Daarna wilde medicijnen studeren. Ze had in een jaar haar HBS-diploma gehaald en studeert nu medicijnen aan de Universiteit van Amsterdam. Ze heeft ook grote belangstelling voor de natuurwetenschappen en volgt daarom ook de colleges van de Vries. An zou overigens niet afstuderen vanwege haar huwelijk. Professor Hugo de Vries deed in die tijd baanbrekend werk op het gebied van de erfelijkheidstheorie en het belang van mutaties. Tijdens het college stond hij achter een lange tafel vol planten en gedroogde voorwerpen uit de natuur, die door zijn eigen kweekproeven of spontaan een interessante afwijking hadden gekregen. Na het college volgde een practicum waarbij de studenten met de microscoop de anatomie van planten bekeken.

Studeren

Mia wist nu wat ze wilde. Een paar maanden later gingen haar ouders akkoord met een studie in de natuurwetenschappen. Evenals de studie van haar zuster An was dat voor die tijd ongebruikelijk, maar niet baanbrekend. Het echtpaar Jan Boissevain was bevriend met het echtpaar Mr. J.C en Marie de Vries. Deze Marie was een nicht van Hugo de Vries en had met de vrouw van Max Weber behoord tot de eerste generatie vrouwelijke biologiestudenten. An was ook zeer goed met Marie de Vries bevriend en deelde haar belangstelling voor botanie. Volgens Mia heeft er zelden een meer belezen vrouw bestaan, die het gelezene ook zo tot een deel van haar wezen gemaakt had. Ze citeerde tijdens wandelingen probleemloos uit Goethe, Homerus, Plato of Boeddhistische beschouwingen. Mia volgt in de zomer voorbereidende lessen in wis- en scheikunde en gaat 18 jaar oud naar de Universiteit van Amsterdam. De natuurwetenschappen maken in deze periode bij de Universiteit van Amsterdam een bloeitijd door. Mia vindt de nieuwe ontdekkingen in de fysica, chemie, geologie, kristallografie en genetica uiterst boeiend. Ze besteedt in haar manuscript over de Amsterdamse familie zes dichtgetypte pagina’s aan de vele interessante aspecten van de studie. Ze studeert plant- en dierkunde en specialiseert zich in zoölogie.

Zoölogie

In Amsterdam is Max Weber hoogleraar zoölogie. Op zijn practica leert hij de studenten geduldig preparaten te maken, goed te observeren en zorgvuldige tekeningen te maken. Weber was anatoom en ook een bedreven preparateur. Hij verrichtte regelmatig sectie op gestorven dieren van Artis. Volgens Mia was het een buitenkans om de secties op grote dieren te kunnen bijwonen. Als Weber omgeven door zijn studenten bezig was leek het ‘als in Rembrandts Anatomische Les.’ Mia vond de secties meesterstukken van techniek, gezien het schijnbare gemak en de zekerheid waarmee Weber ze uitvoerde. Tijdens het werk gaf Weber ook doorlopend college over vergelijkende anatomie van de organen waardoor je op een middag meer leerde dan door urenlange studie. Mevrouw Weber was ook biologe en gespecialiseerd in algen. Zij heeft honderden algen voor het eerst beschreven en benoemd, stelde een uniek herbarium samen en schreef ook diverse andere standaardwerken. Het biologenechtpaar Weber had een huis in Amsterdam en een buitenhuis in Eerbeek met een grote tuin, twee laboratoria, werkkamers en heel veel boeken. Van hier uit organiseerden zij voor groepjes studenten excursies, waarbij er van alles verzameld werd. Hierbij werden onder andere de nog onbekende vroedmeesterpad en een heidekikker ontdekt. Volgens de overlevering viste Mia als assistente van professor Weber donderpadden van de knoflookpad uit de vijver van Eerbeek, die er daarvoor en daarna nooit meer gevonden zijn. Tijdens haar studie komt de Siboga-expeditie terug, die in 1899-1900 in Nederlands-Indië onderzoek heeft gedaan. Mia krijgt een belangrijke taak in het uitpakken en sorteren van de rijke vangst en bekijkt met name de schelpen. Hieruit ontstaat waarschijnlijk het idee voor haar promotieonderzoek.

Promotieonderzoek

Na vijf jaar biologiestudie is Mia klaar en vertrekt naar Zürich, waar ze een jaar onderzoek doet aan de Dentalium entalis L., een zeeworm met een gladde schelp, genaamd olifantstandje. De schelp lijkt inderdaad op een miniatuur olifantstand, een paar centimeter lang en aan beide zijden open. Het weekdier kan zich met een gespierde voet over de zeebodem verplaatsen, enigszins zoals een slak. Mia krijgt uit Napels reeds gefixeerde exemplaren, die ze op verschillende manieren kleurt, in plakjes snijdt en onder een microscoop bestudeert. Ze beschrijft in detail de voet en de mantel, speciale wimpercellen, verschillende soorten klieren, de bloedcirculatie, het zenuwstelsel en de hersenen, nieren en darmen. Van alle onderdelen van het dier maakt ze zeer zorgvuldige tekeningen. Mia vergelijkt haar bevindingen met die van twee andere biologen, corrigeert de oude resultaten en vult ze aan met nieuwe gegevens. De resultaten worden in 1903 gepubliceerd en dat is voldoende voor het verkrijgen van de doktergraad. Het was in die tijd gebruikelijk dat men na een jaar onderzoek promoveerde. Mia is dan 25 jaar. Drie jaar later publiceert ze een artikel over diverse schelpen gevonden bij de Siboga expeditie. Eén soort schelp is een variant van het olifantstandje en wordt naar haar genoemd: Dentalium entalis var. indicum Boissevain.

Werken als bioloog

In 1893, toen Mia vijftien was, had haar vader een buitenhuis in De Bilt gekocht: ‘Jagtlust’, op een kwartiertje lopen van het station. Sindsdien woonden de Jantjes daar elk jaar vier maanden in de zomer. Na een heel vroeg ontbijt vertrokken diverse gezinsleden naar het station en namen daar om zeven uur de eerste trein naar Amsterdam. Na de dood van hun ouders in 1904 resp. 1905 wordt Jagtlust verkocht en betrekken Mia en haar broer Matthijs ‘Boschzigt’, de enigszins verbouwde tuinmanswoning van Jagtlust. Ook Mia’s zuster Heleen woont hier een tijd. Ze pendelen dus op en neer naar Amsterdam, waar Thijs advocaat is en Mia als conservatrice in het museum van Artis werkt. Het valt haar zwaar haar werk, de huishouding, het ontvangen van gasten, het onderhouden van de bloementuin met bijenkasten met elkaar te combineren. Mia en Thijs wonen ook nog een jaar in München, waar Mia zoölogisch onderzoek doet. Ze publiceert in 1908 een wetenschappelijk artikel over het kweken van microscopisch kleine eencellige zeebeestjes, met een doorsnee van ongeveer 0,15 millimeter. Deze Actinosphaerium Eichhornii ziet er onder de microscoop uit als een kleine zonnetje, rond, met veel sprieten. Het Duitse artikel wordt in 1925 nog eens in het Nederlands gepubliceerd. Terug in Bilthoven besteedt ze verder veel tijd aan haar tuin en aan ‘de vrouwenzaak’, waarover later meer.

Pissebedden

Op enig tijdstip is Mia zich gaan interesseren voor de pissebedden in de tuin van Boschzigt. Ze vertelde aan geïnteresseerde neefjes en nichtjes dat die beestjes eigenaardige zwammen in hun darmen herbergen. Haar pleegkind Mia, de dochter van Mia’s zuster Nel, herinnerde zich dat tante Mia een keer bij een bezoek blij was te horen dat deze beestjes ook ergens in of bij het huis te vinden waren. Ze stopte tot verbazing van de familie onmiddellijk een aantal exemplaren om mee te nemen in een luciferdoosje, waar ze meteen de vindplaats op schreef. Haar schoonzus Romé Boissevain-Kalff, die haar broer Walrave in 1913 leerde kennen, herinnerde zich nog ‘de gloednieuwe vondst van een bacterie in de ingewanden van een pissebed, ter ere van Dr.Kerbert, de toenmalige directeur van Artis, Kerbertia genoemd.’ Bezoekers van Boschzigt stonden gefascineerd te kijken hoe Mia met een apparaat een deel van zo’n diertje in ragfijne schijfjes sneed. De pissebed, die de dag tevoren nog plezierig leefde onder een vochtige steen, gaf nu het romantische leven van een bacterie in zijn darmkanaal prijs, uitgespreid in een keurig lint van duizend doorzichtige mootjes, die door de microtoom op microscoopglaasjes werden gelegd.

Leven als bioloog

Mia was al heel vroeg geïnteresseerd in alles wat leeft en groeit en ze wordt ook het soort bioloog dat zich voor de biologie in veel dagelijkse situaties interesseert en dat met groot enthousiasme op anderen weet over te brengen. Haar zuster Nella herinnerde zich dat Mia, toen ze bij haar broer Wally in huis woonde (1910-1913), op verzoek eens een cursus cellen en celdeling gaf. ‘Het leek alsof het heel makkelijk te begrijpen was omdat het zo helder en weloverwogen werd voorgedragen.’ Diverse neefjes en nichtjes, die ‘Boschzigt’ bezoeken, herinneren zich decennia later nog dat ze op salamanders visten, orchideeën en Zonnedauw vonden. Mia vertelde over de Vlaamsche Gaai en de Mierenleeuw, dissecteerde mollen en zette insecten op sterk water om deze te determineren.

Ook later in haar leven was ze nog niets van haar enthousiasme kwijt volgens haar kleinkind Suzie, de dochter van haar geadopteerde dochter Daisy. Mia zorgde in Londen regelmatig voor de kleinkinderen Michael en Suzie, tot ze elf en twaalf jaar waren (1941-1954). ‘The zoology and biology never left her and we grew up with lots of experiments, from collecting caterpillars and keeping them until they turned into moths, to turning red cabbage water from green to blue to yellow by adding bits of sugar, or vinegar, or whatever. (…) She taught us about flowers and how to press them and I could read and write a bit by the time I went to school at 4.’ Er zaten nogal wat muizen in het huis na de oorlog en toen Mia een keer een dode zwangere muis in een val had gevonden, ontleedde ze die zorgvuldig omdat Suzie wilde weten waar de baby’s waren. Toen Suzie voor het eerst biologie kreeg op school, ging de eerste les over amoeben. Dus klom Mia,75 jaar oud, naar de goot die boven de derde verdieping langs het dak liep.‘She collected a large handful of mud which she put under a microscope and I saw an amoeba and lots of other things besides! She always took me on Sundays to the museums, (particularly the Science museum) and the art galleries, and then I would be encouraged to make a little project of my own.She would give me a lovely, clean, empty exercise book and pens and crayons. I would pick my project, (maybe fossils, trees, woods,or horses),research it and then fill my lovely book with my writing and drawings on this subject.’ Na 1915 kwam er van de beroepsmatige beoefening van de biologie niet veel meer. Het laatste wat Mia schreef was Een voorstel tot Algemene Stamboomregeling van de Mens, in het feestnummer ter ere van haar zeventigjarige leermeester Max Weber (1923).

De opkomst van de vrouwenbeweging

‘Ik beschouw het vrouwenkiesrecht als het allerbelangrijkst, wat de naaste toekomst ons brengen kan, belangrijker dan welk onderwerp de partijen ook voor’t ogenblik verdeelt. Buiten alle partijstrijd om beschouw ik het vrouwenkiesrecht als het eenige middel om paal en perk te stellen aan de wantoestanden, die op haar gebied heerschen.’

(Dr. Mia Boissevain, presidente van de tentoonstelling ‘De Vrouw 1813- 1913’ in de folder van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht)

De eerste Nederlandse geschriften over de wenselijkheid van verbetering van de rechten van vrouwen dateren van 1870. In de tijd daarna ontstaan eerst een paar vrouwenbladen. Vervolgens komt er ook wat beweging in de politiek: vanaf 1885 ontstaan er vrouwenverenigingen in de Sociaal Democratische Partij. Deze zijn echter vooral bedoeld om propaganda voor meer mannenkiesrecht te maken en aandacht voor de eigen partij te bevorderen. In 1889 richtten Wilhelmina Drucker en anderen de Vrije Vrouwenvereeniging (VVV) op, de eerste organisatie die primair de belangen van vrouwen als doelstelling heeft. Een paar jaar later blijkt ten tijde van een wetsvoorstel tot herziening van het kiesrecht, dat de bestaande politieke partijen geen enkele belangstelling voor vrouwenkiesrecht hebben. Daarom stampt de VVV in 1894 een Vereniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK) uit de grond. Mia is op dat moment bijna 16 en bereidt zich voor op het eindexamen van haar middelbare school.

Studieperiode: 1896-1901

Mia gaat op haar 18 de studeren. Vrouwen konden toen formeel al 25 jaar studeren: Aletta Jacobs was in 1871 de eerste vrouwelijke student. Mia werd door haar ouders gesteund. Haar oudere zuster An studeerde ook al medicijnen. Mia was bevriend met Marie de Vries, een briljante vrouw die al een generatie eerder biologie had gestudeerd. (Zie Bulletin 2006, pagina 12)

In haar manuscript ‘Een Amsterdamsche familie’ schrijft Mia: ‘Het leek mij de gewoonste zaak van de wereld aan de universiteit te studeren. Overal, zoowel van de studenten als van de professoren, ondervond ik de grootste tegemoetkoming. Toch was ik mij wel bewust van het betrekkelijke nieuwe van die onderneming en had sterk het besef dat ik me als meisje heel ingetogen gedragen moest.

Dat besef werd bevorderd doordat meisjes tijdens college geacht werden op de voorste bank te zitten Deze gewoonte bestond overigens ook op andere universiteiten. Toen Mia de eerste keer met An meeging naar een college, kwamen ze op het laatste moment binnen. De eerste bank was al geheel bezet, maar twee studenten maakten daar plaats voor de meisjes, onder luid applaus van de overige ongeveer honderd studenten. Ook op andere manieren werd Mia’s uitzonderingspositie benadrukt. Halverwege haar studietijd werd er een wetenschappelijk artikel gepubliceerd over de afmetingen van hersenen bij allerlei zoogdieren, volgens welke vrouwen een kleiner hersengewicht hadden dan mannen. Dat gaf op het zoölogisch laboratorium, waar Mia het enige meisje was, aanleiding tot quasi-leuke beweringen. Meisjes zouden wel braaf kunnen studeren, maar kunnen geen wetenschappelijk initiatief vertonen of serieuze wetenschappelijke prestaties leveren. Bovendien zouden ze daarbij banen van mannen in beslag nemen. Dergelijke opmerkingen maakten dat Mia meer bewust over haar eigen positie begon na te denken. Ook al lette ze niet zo erg op de vrouwenbeweging, Mia kreeg er in die tijd toch wel wat van mee. In 1898 bezocht Mia, 20 jaar oud, met haar moeder de Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Den Haag. Een standbeeld van een vrouw met een zware kruiwagen met stenen blijft haar erg bij. (Ze) ‘zag toen in dat de vrouwenbeweging niet maar een beweging voor eenige intellectuele en ontwikkelde menschen alleen was,’ zo schrijft ze in 1915 in haar memoires. Mia vertelt daarin verder niets over haar uitzonderingspositie als vrouw tijdens haar studie, maar ze heeft er sommige familieleden blijkbaar wel over verteld. Volgens Jan den Tex, een neef waar Mia veel contact mee had en de zoon van Mia’s oudere zuster An en Gideon den Tex, waren de jongens niet altijd even aardig. Ze tapten vaak schuine moppen in het bijzijn van de meisjes. Volgens haar peetdochter Mia, de dochter van Mia’s zuster Nella en Aat van Hall, liet een van de hoogleraren tijdens een college openlijk zijn afkeuring blijken een vrouw onder zijn gehoor te zien. Daarom ging ze in Zürich studeren. Volgens de herinneringen van Jan den Tex was de botanicus professor Hugo de Vries een tegenstander van meisjesstudenten en liet dat ook blijken. Volgens Jan werd professor de Vries ‘verliefd op haar en dwong haar bijzonder lief te zijn om haar examens te halen. Zo werd studeren in Amsterdam onmogelijk voor haar. Ze is naar Zürich gegaan om daar verder te studeren.’ Het gesuggereerde verband tussen de situatie in Amsterdam en haar promotie in Zürich is voor nuancering vatbaar. De memoires van Mia wijzen niet op een sterk anti-vrouwenklimaat tijdens haar opleiding. De Vries kan Mia hebben lastig gevallen, dat kan heel vervelend zijn geweest en zeker een stimulans om in een andere stad te promoveren. De Vries zou echter inhoudelijk niets met haar promotiewerk te maken hebben gehad: hij was planten- en mutatiedeskundige. Mia was dierkundige, gespecialiseerd in zeebeesten en vooral schelpdieren, Ze studeerde af aan het zoölogisch laboratorium van professor Max Weber. Haar onderzoek in Zürich betrof een onderwerp dat direct aansloot bij werk dat ze eerder in Amsterdam had gedaan.

Zurich: 1902-1903

Volgens de website van de universiteit van Zürich schreef Mia zich daar in oktober 1902 in en beëindigde de inschrijving in juli 1903. Het academische klimaat in Zürich zal een stuk vrouwvriendelijker zijn geweest dan dat in Nederland. Het aantal vrouwelijke studenten in Zwitserland was gemiddeld 10%. Negentig procent van deze studentes kwam uit het buitenland, waaronder overigens ook vrouwen die uit Rusland waren gevlucht en zich inschreven als student ter legitimatie van hun verblijf. Vooral de Duitstalige universiteiten van Zürich en Bern trokken veel buitenlanders aan. Mia had in Zürich een heerlijke tijd en voelde zich volkomen vrij. Ze ontmoette er ‘een aantal frissche jonge vrouwen, vooral Scandinavische, Russische en Amerikaansche, die dieper over de vrouwenproblemen nagedacht hadden’ dan zijzelf.

Op bezoek bij Aletta Jacobs: 1905

Nadat Mia uit Zürich teruggekomen was, overleden haar ouders kort na elkaar. Het ouderlijk huis in Bilthoven werd verkocht en Mia verhuisde met haar broer Matthijs en haar zuster Heleen in 1905 naar de tuinmanswoning ‘Boschzigt’. Geïnspireerd door de gesprekken in Zürich, probeert Mia uit te vinden wat er in Nederland op het gebied van de vrouwenemancipatie gedaan wordt en gaat op bezoek bij Aletta Jacobs. Dr. Jacobs, 51 jaar oud, had een paar jaar eerder haar dokterspraktijk neergelegd toen ze voorzitter van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht was geworden. Jacobs was voorstander van kinderbeperking en had sympathie voor de vrije liefde. Dat was op zichzelf al genoeg voor een sterke afkeer tegen haar persoon in nette kringen. Er werd ontzettend over haar geroddeld en er deden verhalen de ronde dat ze illegale abortussen uitgevoerd zou hebben. De vrouwen, die dit zouden hebben kunnen bevestigen, hebben dit echter nooit gedaan. Mia kijkt op de stoep voor het huis zenuwachtig om zich heen of iemand haar misschien gezien heeft, omdat ze bang is dat men haar ‘zou verdenken voor een illegale operatie daar op bezoek te gaan.’ Mia ervaart het gesprek met Aletta Jacobs als prettig en informatief. Ze krijgt een aantal brochures over de rechtspositie van de vrouw in Nederland en Aletta vertelt over haar recente reis naar Amerika, waar het vrouwenkiesrecht in Colorado net is ingevoerd. Ze hebben een levendige discussie. Mia vindt Aletta oprecht en scherp, ze heeft een helder politiek inzicht en ze blijft altijd zakelijk, op persoonlijke aanvallen reageert ze niet.

Congres Vrouwenkiesrecht: 1908

Mia schreef later: ‘Ieder die de moeite wil doen in de dagbladen en tijdschriften uit die dagen na te lezen, zal het opvallen hoe vaak de vrouwen belachelijk werden gemaakt en de mythe van de manwijven – dat waren de vrouwen die bewust naar verbetering streefden – aangedikt werd.’

De VvVK zou in juni 1908 gedurende een week gastvrouw zijn voor het derde Internationale Congres voor Vrouwenkiesrecht. Het Amsterdamse Concertgebouw was afgehuurd voor de bijeenkomsten van de 1.200 buitenlandse gasten uit 21 landen. Op verzoek van Aletta Jacobs hielp Mia bij de voorbereiding van het congres. Mia had zich voorgenomen om tijdens het congres op zoek naar manwijven te gaan. Die blijken echter niet te vinden. Ze ontmoet wel twee pioniers van de vrouwenbeweging: Wilhemina Drucker (61) en Joanna Naber (49). Vooral de eerste is in de dagbladen zo vaak belachelijk gemaakt dat Mia verwachtte, dat dat dan wel een van die manwijven zal zijn. In werkelijkheid bleek mevrouw Drucker een ‘klein, heel eenvoudig, uiterst gesoigneerd vrouwtje, dat eerder de indruk maakt verlegen te zijn.’ Mia raakt op het congres diep onder de indruk van de spreeksters, waaronder de presidentes van de Amerikaanse en Engelse vrouwenkiesrechtorganisaties.

Mia en Rosa

Kort voor de opening van het congres wordt Mia gevraagd om tijdens het congres in de hal een informatiebureau voor congresgangers te verzorgen. Daarbij werkt ze samen met Rosa Manus. Mia kende Rosa alleen uit de verte. Rosa is drie jaar jonger dan Mia en zat een aantal klassen lager op dezelfde lagere en middelbare school. Rosa is afkomstig uit een zeer welgestelde joodse familie. Rosa was op school een matige leerling. Haar vader vond het niet goed dat ze betaalde arbeid verrichtte, maar bij vrijwilligerswerk bleek dat ze een fenomenaal organisatietalent had. Ze zou later de rechterhand van Aletta Jacobs en secretaresse voor de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht worden.

Het duo wordt zo enthousiast door het congres dat ze daarna voorstellen een Propaganda Commissie voor de VvVK te vormen. Ze moeten dan nog wel veel leren over de verantwoordelijkheden en taakverdeling in een organisatie. De dames organiseerden eens in Amsterdam een bijeenkomst met voordrachten, waarvoor ze zonder overleg 1 gulden entree vroegen, bedoeld om de kas te spekken. De voorzitter van de VvVK afdeling Amsterdam werd daar zo kwaad over, dat ze in eigen persoon bij de ingang ging zitten om er voor te zorgen dat de leden van de vereniging maar een dubbeltje hoefden te betalen. Later organiseerden ze avonden met een dubbeltje entree waarbij de toeloop zo groot was, dat de politie er aan te pas moest komen om het gedrang van mensen, die er niet meer in konden, in goede banen te leiden. Als presidente van de Commissie opent Mia zulke avonden.

vrouwenemancipatie

Vrouwenemancipatie. De opening van de tentoonstelling ‘De vrouw 1813-1913’ in Amsterdam. In het midden op de voorgrond links mevrouw van Loon-Egidius, vertegenwoordigster van de Koningin, rechts Mia Boissevain, voorzitter van het tentoonstellingscomité. Tussen beide dames staand Mej. Manus. rechts op de trap minister Talma, tegen de pilaar mr. van Leeuwen, commissaris der Koningin in Noord-Holland. Nederland, 1913.

Intussen krijgt Mia een meer centrale rol in de VvVK: ze reist medio 1911 met Aletta Jacobs en Rosa Manus naar de Internationale Congres van de Wereldbond voor Vrouwkiesrecht in Stockholm. Daar zal ze ook Nella Boissevain gezien hebben, haar nicht, het negende kind van Mia’s oom Charles (NP p 69), die daar namens de concurrerende Bond voor Vrouwenkiesrecht het woord doet. Al deze activiteiten geven Mia en Rosa voldoende ervaring om in 1912 voor te stellen om een tentoonstelling over de veranderde positie van de vrouw 1813-1913 te organiseren.

Klarissa Nienhuys, Groningen

(Kleindochter van Maria Boissevain – Pijnappel en dochter van de romanschrijfster Dieuke Boissevain)

 

Publicaties over Mia Boissevain

Esmeralda Tijhoff: Ooggetuigen van de Eerste Wereldoorlog Mia Boissevain

Huygens ING: Biografie Boissevain, Maria (1878-1959)

Wikipedia: Maria Boissevain

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s